Naar boven ↑

Rechtspraak

A/de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie)
Rechtbank Rotterdam, 8 mei 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:CA1475

A/de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie)

Staat is op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk na incident tussen medewerkers van Commando Zeestrijdkrachten, waarbij een medewerker (psychisch) letsel heeft opgelopen

Tussen A, B en C, medewerkers bij het Commando Zeestrijdkrachten/Marine Beveiligingskorps, heeft een incident plaatsgevonden. A heeft aan B gevraagd mee te lopen, zodat hij zijn wapen kon inleveren. Toen B niet reageerde, heeft A de sleutel van de wapenkamer gepakt en naast B neergelegd. A heeft uiteindelijk zelf zijn wapen opgeborgen. Toen A zijn wapen had opgeborgen, kwam B binnen en ging heel dicht bij A staan, zodat de neuzen elkaar bijna raakten. B gaf A te kennen dat A hem ‘dit niet meer moest flikken’. B heeft deze woorden tot twee keer toe herhaald en heeft A ook geduwd. C was hierbij ook aanwezig. Door de houding en het optreden van zowel B als C, vreesde A dat zij gebruik van hun wapen zouden maken. De klachtencommissie heeft de klacht over B gegrond verklaard. Thans stelt A dat B en C onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Als gevolg van het incident heeft hij een posttraumatische stressstoornis opgelopen, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. A stelt de Staat op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor zijn schade als gevolg van het incident.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het onderhavige geschil leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Voor een beslissing over de aansprakelijkheid is geen nadere bewijsvoering nodig. Ondergeschiktheid in de zin van artikel 6:170 BW dient ruim te worden opgevat, in de betekenis van een juridische gezagsverhouding. Het gaat dus niet alleen om de dienstbetrekking uit een arbeidsovereenkomst. Zodra de werkgever de bevoegdheid heeft om bij de opgedragen werkzaamheden enige aanwijzingen en bevelen te geven, zodat de taak onder leiding kan worden verricht, is sprake van een ondergeschiktheidsverhouding. Dat in dit geval sprake is van een ondergeschiktheidsverhouding in vorenbedoelde zin tussen de Staat en B staat tussen partijen niet ter discussie. Tussen de fout van de ondergeschikte enerzijds en de taak die hem is opgedragen anderzijds moet voldoende verband bestaan. Op dit punt heeft de Staat geen verweer gevoerd, zodat hiervan wordt uitgegaan. De schade moet zijn veroorzaakt door een fout van een ondergeschikte. Een fout is een toerekenbare onrechtmatige daad. De ondergeschikte moet dus zelf aansprakelijk zijn op grond van de artikelen 6:162 BW e.v. De combinatie van de bewoordingen die B heeft gebezigd, het hardhandig duwen en de omstandigheid dat B de gewapende meerdere van A was, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden in beginsel een onrechtmatige daad opleveren. Lichamelijk geweld, daaronder begrepen het duwen (zonder dat daarvoor een zwaarwegende grond is), is naar het oordeel van de rechtbank strijdig met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De Staat is op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor in elk geval een deel van de schade die A lijdt. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat daarmee niets is gezegd over de aard en omvang van de schade die A als gevolg van het ongeval heeft geleden en over de vraag of de schade in causaal verband staat met het incident. Dit zal door A na deze procedure nader moeten worden onderbouwd en eventueel nog moeten worden bewezen.