Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Hoge Raad, 14 juni 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ7196

werknemer/werkgever

Werkgever niet aansprakelijk voor val werknemer van laadklep. Vergaande instructieplicht conform De Rooyse Wissel in casu niet van toepassing wegens ontbreken ‘intrinsiek gevaarlijke situatie’

Werknemer is in december 1998 in dienst getreden van werkgever als chauffeur. Op 2 februari 1999 is werknemer bij het uitladen van een vrachtauto (een pallet waspoeder) van de laadklep gevallen. Daarbij heeft hij zijn heup gebroken. Nog diezelfde dag heeft werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd tijdens de proeftijd. Werknemer heeft werkgever aansprakelijk gesteld voor de geleden schade, stellende dat het profiel op de laadklep was versleten, de opstaande rand niet deugdelijk werkte en de handpomp waarmee de pallet werd verreden niet voldeed. De werkgever heeft zich verweerd onder meer met de stelling dat werknemer met zijn voet onder de pallet is gekomen en is gevallen. Daarmee doelde de werkgever op het feit dat een eventuele schending van de zorgplicht dit ongeval niet had kunnen voorkomen. De kantonrechter wees de vordering van werknemer toe, stellende dat de instructieverplichting van de werkgever was geschonden. Het hof heeft de vorderingen afgewezen, stellende dat werkgever zijn zorgplicht voldoende is nagekomen.

De A-G (Spier) concludeert als volgt. De werknemer stelt zich op het standpunt dat het hof de zorgplicht van de werkgever te eng heeft opgevat. Volgens de werknemer dient niet alleen onderzocht te worden of de getroffen maatregelen in casu voldeden, maar dient steeds onderzocht te worden of er nog meer gedaan had kunnen worden, ook wanneer dit geen onderdeel van het partijdebat is geweest. De A-G keurt die visie af, stellende dat daarmee de onwerkbare situatie zou ontstaan dat partijen in algemene zin zouden kunnen stellen dat de zorgplicht is geschonden (of niet) en vervolgens de rechter alle verplichtingen zou moeten nagaan. Ook het beroep van werknemer op De Rooyse Wissel aangaande de vergaande instructieplicht wordt niet door de A-G gevolgd. Hij wijst erop dat het lossen van een vrachtauto geen ‘intrinsiek gevaarlijke situatie’ oplevert, waar dat bij het werken met TBS-patiënten wel het geval is. Hoewel het hof wellicht wat summier is geweest over de instructieplicht van de werkgever, acht de A-G het onvoldoende het arrest van het hof te vernietigen.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.