Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 7 mei 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:1294
Dikmans/Unilever Nederland Holdings B.V.
(Vervolg op HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369, NJ 2011, 596 (Unilever/Dikmans).) Werknemer vordert vergoeding van materiële en immateriële schade wegens nikkelaandoeningen en oplosmiddelenvergiftiging ten gevolge van blootstelling aan met name nikkel(verbindingen) en organische oplosmiddelen (in het bijzonder isopropylalcohol en hexaan) tijdens de door hem voor Unilever in het researchlaboratorium te Vlaardingen verrichte researchwerkzaamheden in vooral de periode 1975 tot en met 1984. Bij tussenarrest van 18 september 2002 is overwogen dat hoewel Unilever erkent dat nikkel(verbindingen) en organische oplosmiddelen (in het bijzonder isopropylalcohol en hexaan) in een laboratorium als het hare thuishoren, werknemer wordt toegelaten tot het bewijs dat hij bij zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid schadelijke stoffen, nu Unilever betwist dat werknemer is blootgesteld aan de voor de gezondheid schadelijke werking van die stoffen. Het hof stelt voorop dat van een blootstelling aan ‘voor de gezondheid gevaarlijke stoffen’ in de zin van de omkeringsregel reeds sprake is bij blootstelling aan nikkel(verbindingen) en organische oplosmiddelen (in het bijzonder isopropylalcohol en hexaan), behoudens indien op voorhand duidelijk is dat die blootstelling van geen betekenis is. Dit laatste is niet gebleken. Het hof is van oordeel dat uit de rapportages van dr. J.G.M. van Rooij (aanvankelijk IndusTox later Caesar Consult) en drs. R. Visser (TNO-arbeid) volgt dat werknemer tijdens zijn werk voor Unilever is blootgesteld aan hexaan. Unilever heeft dat niet (langer) betwist, maar zij beroept zich er samengevat op dat die blootstelling niet van betekenis is geweest, met name nu de MAC-waarde niet is overschreden. Voor zover Unilever daarmee betoogt dat werknemer zou moeten aantonen dat de MAC-waarde is overschreden om tot toepassing van de omkeringsregel te komen, gaat het hof daaraan voorbij. Immers, indien werknemer zou moeten bewijzen dat de feitelijke blootstelling een omvang had aangenomen die gevaarlijk is, wordt hij belast met het bewijs van feiten en omstandigheden die bij uitstek in het domein van Unilever als werkgever liggen. Een dergelijke verzwaring van de bewijslast doet in wezenlijke mate afbreuk aan de met artikel 7:658 BW en de omkeringsregel beoogde bescherming van de werknemer die aan een voor de gezondheid gevaarlijke stof is blootgesteld en lijdt aan een ziekte of aan gezondheidsklachten die door blootstelling aan die gevaarlijke stof kunnen zijn veroorzaakt, en is daarom onaanvaardbaar. In dit arrest worden het causaal verband tussen de blootstelling en de gezondheidsklachten (daartoe allereerst de aannemelijkheid tussen het ontstaan van de gezondheidsklachten en de blootstelling aan stoffen) en de vermeende schending van de zorgplicht onderzocht.
Uit de verschillende deskundigenberichten volgt dat enkel een causaal verband tussen de blootstelling aan hexaan en polyneuropathie (aandoening van de uiteinden van de zenuwen in armen en benen) kan worden aangenomen. Voorts is door een deskundige vastgesteld dat sprake is geweest van een overschrijding van de MAC-waarde (MAC staat voor Maximaal Aanvaarde Concentratie in de werkatmosfeer) en daarmee schending van de zorgplicht van Unilever. Over dit laatste punt staan twee deskundigenoordelen tegenover elkaar. Dit doet – aldus het hof – niet af aan zijn oordeel.