Rechtspraak
X
Tussen X en Y is in geschil of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. In de onderhavige procedure heeft X de kantonrechter gewraakt. Ten eerste wordt aangevoerd dat de hoofdzaak onnodig is vertraagd doordat de kantonrechter verzoeken van Y om uitstel heeft gehonoreerd, hetgeen tot een verslechtering van de positie van X leidde. Ten tweede heeft de kantonrechter de comparitie niet gebruikt waar deze voor bedoeld is. Er is geen aandacht besteed aan de afwezigheid van de heren A en B, die in de hoofdzaak een sleutelrol vervullen. X acht het onbegrijpelijk dat de kantonrechter zich tijdens de comparitie heeft afgevraagd ‘of er hier wel sprake is van kennelijk onredelijk ontslag’. Daar komt bij dat de kantonrechter niet heeft gevraagd of partijen in onderling overleg de zaak wilden schikken, heeft nagelaten partijen daartoe te verplichten en heeft geweigerd een voorlopig oordeel te geven. Tot slot heeft de kantonrechter het verbod van artikel 24 Rv geschonden door ter comparitie het verweer van Y feitelijk aan te vullen.
De rechtbank oordeelt als volgt. X heeft ruim een maand laten verstrijken alvorens de kantonrechter op grond van de procesbeslissingen (eerste grond) te wraken, waarmee niet is voldaan aan artikel 37 lid 1 Rv. Voor wat betreft deze eerste grond wordt X niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede wordt overwogen dat de vraag of een procesbeslissing inhoudelijk al of niet juist moet worden geacht, zich niet voor een oordeel door de wrakingskamer leent en slechts in hoger beroep kan worden getoetst. Ten aanzien van de comparitie acht de wrakingskamer het verzoek tijdig gedaan. De wrakingskamer stelt voorop dat de door X ingenomen stelling dat de feiten en omstandigheden die zij ter onderbouwing van de eerste grondslag van het wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht, bij de beoordeling van de tweede grondslag moeten worden betrokken, wordt verworpen. Van vooringenomenheid van de kantonrechter ten aanzien van de comparitie is geen sprake geweest. Y is rechtsgeldig vertegenwoordigd ter comparitie verschenen, zodat de wrakingskamer het begrijpelijk acht dat de kantonrechter geen aandacht heeft besteed aan de afwezigheid van de heren A en B. Nu ter zitting door de advocaat van Y is aangegeven dat een schikking niet op prijs werd gesteld, is de inschatting van de kantonrechter dat een schikkingspoging weinig zinvol zou zijn alleszins begrijpelijk. Ook uit de andere aangevoerde omstandigheden volgt geen vooringenomenheid. Het noemen van toepasselijke jurisprudentie of de wijze van schadeberekening die bij een kennelijk onredelijk ontslag op grond van jurisprudentie moet worden gehanteerd, acht de wrakingskamer geen feitelijke aanvulling van het verweer van Y. De kantonrechter heeft daarmee slechts aangegeven wat het toetsingskader volgens vaste jurisprudentie zou moeten zijn, hetgeen niet als feitelijke aanvulling van de stellingen van een van de partijen gekwalificeerd kan worden. Volgt afwijzing van het wrakingsverzoek.