Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 25 juni 2013
ECLI:NL:OGHACMB:2013:14
Stichting Bon Futuro/werkneemster
Werkneemster was van 4 januari 1988 tot 1 februari 2011, de dag dat zij de leeftijd van 60 jaar bereikte, als hoofdleidster in dienst van de stichting. De stichting heeft uit een door haar opgezet ‘Voorzieningsfonds/Pensioenfonds’ aan werkneemster NAf 172.000 uitgekeerd. De stichting heeft aan werkneemster geen cessantia-uitkering gedaan. Thans verzoekt werkneemster uitkering van cessantia.
Het Gemeenschappelijk Hof oordeelt als volgt. Deze Cessantia-landsverordening is vastgesteld op 19 juli 1983, PB 1983, 85 (Staten van de Nederlandse Antillen 1982/1983, 52 en 1983/1984, 9). Daaraan ging vooraf een cessantiaregeling, toegevoegd aan artikel 1615j Burgerlijk Wetboek (oud), vastgesteld bij landsverordening van 8 januari 1973, PB 1973, 9 (Staten van de Nederlandse Antillen 1971/1972, 35 en 1972/1973, 2), die is vervallen bij de Cessantia-landsverordening. Deze oude cessantiaregeling bepaalde dat een eventuele uitkering ineens, anders dan krachtens de bepalingen van deze regeling, in mindering op de cessantia-uitkering werd gebracht. Zij verklaarde de regeling niet van toepassing ‘indien een arbeider bij beëindiging van zijn dienstbetrekking in het genot van een pensioen wordt gesteld’. De invulling dat dit pensioen ten minste gelijk moest zijn aan het AOV-pensioen en bij inbouw aan tweemaal het AOV-pensioen is aangebracht in de huidige regeling (zonder adequate toelichting in de memorie van toelichting, Staten van de Nederlandse Antillen 1982/1983, 52, no. 3, p. 7, ad artikel 15). Het Hof interpreteert de arbeidsvoorwaarden ten behoeve van het personeel werkzaam bij de stichting ‘Bon Futuro’ of stichting ‘Rose Pelletier’, in het bijzonder artikel 25, aldus dat bedoeld is ten gunste van de werknemer af te wijken van artikel 3 lid 1 Cessantia-landsverordening. Deze afwijking, die ‘ten gunste van de werknemer’ is aangezien de uitkering hoger is dan de cessantia-uitkering, ook indien slechts met de bijdragen van de werkgever wordt rekening gehouden, en bovendien niet verloren kan gaan bij beëindiging van de dienstbetrekking door schuld e.a. van de werknemer, wordt in artikel 3 lid 3 Cessantia-landsverordening toegestaan. Artikel 3 lid 4 en 5 Cessantia-landsverordening is in dit geval niet van toepassing, zoals door het Hof is overwogen in zijn beschikking van 6 december 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2044, in de zaak Wimco/Aalse, gepubliceerd in het Caribisch Juristenblad 2012, afl. 1, p. 54 e.v., welke uitspraak in eerste aanleg door het GEA aan de orde is gesteld.