Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ING Personeel V.O.F. c.s.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 2 september 2013
ECLI:NL:RBAMS:2013:6065

werknemer/ING Personeel V.O.F. c.s.

Uitleg bepaling over beëindigingsvergoeding en aftopping in sociaal plan ING. Als uitleg van werknemer gevolgd zou worden zou hij tot zijn pensioen ongeveer een dubbel inkomen hebben, hetgeen een onlogisch en onaannemelijk rechtsgevolg is

Werknemer is sinds 1998 in dienst van ING. Op de arbeidsovereenkomst is de ING CAO en het Pensioenreglement ING van toepassing. Werknemer heeft in 2008 kenbaar gemaakt de keuze te maken zijn dienstverband met ING na zijn pensioenrichtleeftijd van 62 jaar voort te zetten. In het geldende sociaal plan is in artikel 6.3.1 het volgende bepaald: ‘Iedere medewerker die boventallig is verklaard kan, nadat (…) kiezen voor vertrek met gebruikmaking van een beëindigingsvergoeding. De beëindigingsvergoeding wordt berekend conform de kantonrechtersformule waarbij de factor C=1. De beëindigingsvergoeding zal nooit meer bedragen dan het inkomensverlies vanaf het moment van uitdiensttreding tot aan de pensioenrichtleeftijd dan wel tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst met ING van rechtswege zou eindigen.’ Werknemer is per 1 mei 2009 boventallig verklaard. Partijen zijn een vaststellingsovereenkomst overeengekomen op grond waarvan de arbeidsovereenkomst per 1 november 2009 is geëindigd. Direct aansluitend is werknemer bij De Nederlandsche Bank (verder DNB) in dienst getreden. Werknemer stelt thans volgens een grammaticale uitleg van het sociaal plan recht te hebben op een beëindigingsvergoeding op basis van de (oude) kantonrechtersformule. Hij stelt dat ING ten onrechte de beëindigingsvergoeding heeft afgetopt op 20% van zijn inkomen vanaf het einde van het dienstverband bij ING tot aan zijn pensionering bij DNB, waarbij rekening is gehouden met de prepensioenuitkering uit het Pensioenreglement ING (en de aanvulling uit de ING CAO).

De kantonrechter oordeelt als volgt. Artikel 6.3.1 van het sociaal plan dient te worden uitgelegd conform de cao-norm (vgl. HR 11 november 2005, JAR 2005/286). Artikel 6.3.1 van het sociaal plan staat duidelijk de gedachte voor dat de beëindigingsvergoeding nooit meer zal bedragen dan het inkomensverlies vanaf het moment van uitdiensttreding tot aan het moment dat de betrokken werknemer pensioen gaat genieten. Dat volgt uit de tekst van de bepaling, gelezen in samenhang met de ING CAO en het Pensioenreglement ING, uit de tekst van de kantonrechtersformule, waar de bepaling naar verwijst en uit het doel van de regeling. Voorts bevat Q&A versie 6 een voor werknemer kenbare toelichting op artikel 6.3.1, die overduidelijk en voor maar één uitleg vatbaar is. Een redelijke, objectieve en systematische uitleg van artikel 6.3.1 van het sociaal plan en het onlogische en onaannemelijke gevolg waartoe de zijdens werknemer voorgestane interpretatie zou leiden – hij zou tot zijn pensioen ongeveer een dubbel inkomen hebben – brengt ook mee dat de lezing van werknemer niet redelijk of verdedigbaar is. Bij een zeer strikte interpretatie van het sociaal plan, gelezen in samenhang met de ten tijde van de ontslagname door werknemer in oktober 2009 reeds drie maanden geldende Q&A versie 6, is zelfs verdedigbaar dat werknemer in feite niet eens recht had op het door hem ontvangen bedrag, nu hij tussen de ontslagname bij ING en zijn pensionering bij de DNB geen inkomensachteruitgang heeft gehad. Volgt afwijzing van de vordering.