Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Mosae Zorggroep
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 25 september 2013
ECLI:NL:RBLIM:2013:7314

werkneemster/Stichting Mosae Zorggroep

Verzorgende in thuiszorg is na een arbeidsongeval langdurig arbeidsongeschikt geworden. Hoewel niet volledig aan stelplicht is voldaan, is opzegging kennelijk onredelijk. Zaak wordt niet aangehouden in afwachting van oordeel in artikel 7:658 BW-procedure

Werkneemster is in dienst geweest van thuiszorgorganisatie Mosae als verzorgende. Haar arbeidsovereenkomst is tegen 1 april 2012 opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Ten tijde van de opzegging was zij 54 jaar. In de onderhavige procedure stelt werkneemster dat de opzegging kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgencriterium. In een andere procedure heeft werkneemster Mosea op grond van artikel 7:658 BW en 7:611 BW aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van een arbeidsongeval. Zij heeft een achterovervallende cliënte met de linkerarm proberen op te vangen en daarbij een lumbale wervelfractuur opgelopen, waarna een langdurig hersteltraject is gevolgd en werkneemster arbeidsongeschikt is geworden. Aan werkneemster is een WIA-uitkering toegekend.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft haar vordering niet van een hecht fundament voorzien en in tal van opzichten niet voldaan aan haar gemotiveerde stelplicht. Werkneemster heeft er begin juli 2013, toen deze zaak al voor vonnis stond, voor gekozen om een louter op aansprakelijkheid van Mosae ex artikel 7:658 en 7:611 BW stoelende vordering afzonderlijk van deze zaak aanhangig te maken. Daarom acht de kantonrechter het aangewezen zijn oordeel over de thans voorliggende vordering ex artikel 7:681 BW niet afhankelijk te maken van het antwoord op de (ook in die zaak) aan de orde gestelde vragen van aansprakelijkheid en verzekeringsplicht.

Ten aanzien van het beroep op het gevolgencriterium had werkneemster heel precies en waar mogelijk gedocumenteerd de nadelen moeten schetsen. Zij maakt daar echter hoogstens een begin mee, maar faalt opzichtig in de afwerking, zowel op hoofdpunten als in de details. Met voorbijgaan aan deze tekorten in de naleving van de stelplicht aan de zijde van werkneemster resteert de vraag of de opzegging in dit concrete geval op basis van louter de combinatie van een leeftijd van 54 jaar (door werkneemster niet eens als factor aangevoerd), de duur van het dienstverband (ongeveer 21 jaar) en de ten tijde van de opzegging bestaande (en in de uitoefening van de arbeid ontstane) arbeidsongeschiktheid van een ongewisse duur de opzegging kennelijk onredelijk maakt, nu Mosae daar geen financiële tegemoetkoming aan verbond. Het antwoord daarop is alleen al daarom bevestigend dat uit het met de opzegging als zodanig geen verband houdende aanbod van de twee betrokken WA-verzekeraars tot vergoeding van (inkomens)schade tot een bedrag van € 10.000 blijkt dat wel degelijk enige inkomensschade naar billijkheid (volgens de verzekeraars uit ‘coulance’, zonder erkenning van aansprakelijkheid en onder het beding van finale kwijting) aan de arbeidsrelatie, het ongeval en de fysieke/psychische gevolgen daarvan gerelateerd kan worden. Gelet op het oordeel van het UWV, zal werkneemster nog enige jaren nadelige gevolgen in haar inkomen ondervinden van de nasleep van het arbeidsongeval. Onder deze omstandigheden is de opzegging zonder financiële tegemoetkoming van Mosae, zelfs als zij niet aansprakelijk zou zijn op de voet van artikel 7:658 en/of artikel 7:611 BW, kennelijk onredelijk. De schade die redelijkerwijs geacht kan worden uit de opzegging voortgevloeid te zijn, kan met de verschafte loon- en uitkeringsgegevens in de verste verte niet exact begroot worden. Bij wijze van schatting (art. 6:97 BW) zal daarom bij een verder tot uitgangspunt te nemen driejarig verlies aan inkomen van een kleine 20% sprake zijn van schade ten belope van om en nabij € 25.000 bruto. Dit bedrag wordt als schadevergoeding aan werkneemster toegekend.