Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 30 oktober 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:14465
Nederlandse Vereniging Bestuurders Woningcorporaties /Staat der Nederlanden
Op grond van bijlage 1 bij de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), is het bezoldigingsmaximum en de openbaarmakingsverplichting van toepassing op woningcorporaties. Bij ministeriële regeling van 26 november 2012 (Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 november 2012, nr. 2012-0000684395, houdende vaststelling van de indeling van de toegelaten instellingen volkshuisvesting in klassen met daarbij toepasselijke bezoldigingsmaxima ten aanzien van topfunctionarissen, Stcrt. 2012, nr. 24918, hierna: de regeling) heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst woningcorporaties ingedeeld in klassen met daarbij toepasselijke bezoldigingsmaxima ten aanzien van hun topfunctionarissen. In de onderhavige procedure stellen de Nederlandse Vereniging Bestuurders Woningcorporaties (hierna: NVBW) dat de WNT en/of de regeling in strijd zijn met artikel 2.7 en 2.9 WNT, artikel 63 VWEU, artikel 14 EVRM, artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 43 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM, artikel 26 IVBPR en verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur. NVBW c.s. vorderen, kort samengevat, de regeling onverbindend te verklaren, althans buiten werking te stellen.
De rechtbank oordeelt als volgt. De WNT is niet in strijd met internationale regelgeving. Er is geen sprake van onrechtmatige wetgeving. Dit geldt niet voor de regeling. De regeling behelst een indeling van woningcorporaties in acht klassen op basis van, kort gezegd, het aantal woongelegenheden van de corporatie per 31 december van het vorige verslagjaar en normbedragen per klasse. Een klassenindeling conform artikel 2.7 lid 1 WNT dient plaats te vinden op grond van ‘criteria die betrekking hebben op onder meer de omvang van rechtspersonen of instellingen’. De keuze voor een klassenindeling uitsluitend op basis van het aantal woongelegenheden onder verwijzing naar de beoogde eenduidige toepassing, handhaafbaarheid en controleerbaarheid van de regeling, laat zich niet, althans niet zonder nadere afweging en onderbouwing verenigen met het karakter, de inhoud en omvang van de werkzaamheden van woningcorporaties en de verschillen tussen woningcorporaties onderling. Dit temeer nu met de WNT en de regeling vergaand wordt ingegrepen in de contractsvrijheid van partijen. NVBW c.s. hebben terecht betoogd dat de onderlinge verschillen tussen woningcorporaties niet enkel zijn terug te voeren op het aantal woongelegenheden, maar dat deze verschillen mede het gevolg van zijn geografische en marktfactoren en daarop gebaseerde strategische en beleidsmatige keuzes. De taken en verantwoordelijkheden van topfunctionarissen van woningcorporaties zijn hierop afgestemd. Tegen deze achtergrond doet de keuze voor het aantal woongelegenheden als uitsluitend bepalende factor voor de klassenindeling, in samenhang bezien met de vastgestelde normbedragen, onvoldoende recht aan die taken en verantwoordelijkheden, hetgeen de rechtbank in strijd acht met de zorgvuldigheid die de inhoud van een ministeriële regeling vereist.
De keuze voor de vastgestelde normbedragen per klasse op basis van de CAO Woondiensten, althans voor de onderkant van de schaalindeling, laat zich voorts niet, althans niet zonder nadere feitelijke onderbouwing, die ontbreekt, verenigen met de in artikel 2.9 lid 2 WNT vermelde criteria. In het bijzonder is niet gebleken dat en waarom de gekozen normbedragen per klasse gerechtvaardigd te achten zijn gelet op de bezoldiging in relevante andere sectoren van de arbeidsmarkt en gelet op de verhouding met de bezoldigingen van het overige personeel binnen woningcorporaties (het interne loongebouw). De keuzes die zijn gemaakt wat betreft de gehanteerde criteria voor de klassenindeling en de vastgestelde normbedragen leiden er mede toe dat thans zittende bestuurders van woningcorporaties te maken krijgen met een forse inkomensterugval als gevolg van de regeling. Hoewel deze terugval zich eerst na afloop van het overgangsrecht manifesteert en de regeling tot doel heeft excessieve beloningen tegen te gaan, en hoewel in de praktijk met name de beloningen bij kleinere woningcorporaties op kritiek stuiten, zodat voor die woningcorporaties wellicht een verdergaand ingrijpen gerechtvaardigd is dan voor woningcorporaties met een grotere omvang, dient naar het oordeel van de rechtbank bij het vaststellen van het bezoldigingsniveau in de sector het bestaande beloningsniveau in het licht van de zwaarte van de functie (functiewaardering) in voldoende mate te worden betrokken bij het bepalen van de genoemde criteria gelet op het beginsel van gelijkheid voor openbare lasten en het bepaalde in artikel 1 EP. Dit in die zin dat de factoren aan de hand waarvan de normbedragen worden bepaald zodanig worden gekozen dat het resultaat niet leidt tot een onevenredige benadeling, althans een ‘excessive burden’, van individuele topfunctionarissen als gevolg van de regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit aspect bij de totstandkoming van de regeling onvoldoende betrokken en voldoet de regeling mede hierom niet aan de vereiste evenredigheid. Met de regeling is verder ingegrepen dan nodig, althans topfunctionarissen van woningcorporaties worden onevenredig door de regeling getroffen, zowel topfunctionarissen als onderdeel van de sector als geheel als topfunctionarissen van sommige woningcorporaties ten opzichte van die van andere. De rechtbank acht de regeling derhalve onrechtmatig. Gelet hierop verklaart de rechtbank de regeling buiten toepassing.