Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 oktober 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:8418

werkgeefster/werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst topfunctionaris. Bij bepalen hoogte vergoeding wordt niet de kantonrechterformule, maar de regeling die is opgenomen in de WNT als uitgangspunt genomen. Toepassing van de in de WNT genoemde norm leidt niet tot apert onbillijk resultaat

Werknemer is sinds 1988 in dienst van werkgeefster. Als directeur is hij verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding en het bestuur van werkgeefster. Na een coachingstraject heeft werknemer aangegeven zijn directeurschap in de huidige vorm neer te leggen. Herplaatsing van werknemer is niet mogelijk gebleken. Thans verzoekt werkgeefster ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werkgeefster verzoekt de vergoeding vanwege de toepasselijkheid van de WNT te maximeren op € 75.000 bruto. Gesteld wordt dat het langdurige disfunctioneren geheel in de risicosfeer van werknemer ligt. Voorts laat de financiële situatie van werkgeefster het niet toe een hogere vergoeding te betalen. Werknemer betwist het disfunctioneren en stelt dat de WNT niet van toepassing is, zelfs niet wanneer hij als topfunctionaris moet worden aangemerkt. Voorts stelt hij dat hij in de 25 jaar dat hij bij werkgeefster in dienst is, ongeveer 24 jaar erop heeft mogen rekenen dat in geval van ontbinding er een normale op de kantonrechtersformule gestoelde vergoeding zou worden uitgekeerd. In dat opzicht kan worden gesproken van opgebouwde rechten.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu geen vruchtbare samenwerking meer mogelijk is, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Vooropgesteld wordt dat werkgeefster onder de werkingssfeer van de WNT valt en werknemer als topfunctionaris dient te worden aangemerkt. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt niet de kantonrechterformule, maar de regeling in de WNT als uitgangspunt genomen. De daarin opgenomen maximering van de ontslagvergoeding vormt immers een in recente wetgeving verankerde neerslag van het maatschappelijk breed gedragen gevoelen dat in de (semi)publieke sector in beginsel geen plaats meer is voor hoge ontslagvergoedingen die betaald worden uit publieke middelen. Beoordeeld wordt of de in de WNT genoemde norm in dit geval tot een apert onbillijk resultaat leidt. Geconcludeerd wordt dat dit niet het geval is. Dat sprake is van een opgebouwd recht ten aanzien van de toepassing van de kantonrechtersformule met C=1 wordt niet gevolgd. Een dergelijke vergoeding is afhankelijk van allerlei factoren die na verloop van tijd kunnen veranderen. De kantonrechter begrijpt dat het vervelend is voor werknemer dat hij door de nieuwe wetgeving een lagere vergoeding kan krijgen dan op grond van de kantonrechtersformule, maar dat maakt niet dat sprake is van een apert onbillijk resultaat. Dat van een zodanig disfunctioneren sprake is dat daarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding, is door werkgeefster niet aannemelijk gemaakt. Volgt ontbinding onder toekenning van een vergoeding van € 75.000 bruto.