Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 9 december 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:16703
Badhotel Vastgoed B.V./werkneemster
Werkneemster (53 jaar) is sinds 1989 bij (de rechtsvoorganger van) Badhotel in dienst, laatstelijk in de functie van general manager. In mei 2013 is werkneemster gevraagd om vrijwillig akkoord te gaan met beëindiging van haar arbeidsovereenkomst in verband met de voorgenomen overname van de onderneming van Badhotel door een derde partij. Werkneemster heeft dit geweigerd. Op 24 juni 2013 is werkneemster op non-actief gesteld. Thans verzoekt Badhotel ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een dringende reden. Badhotel voert aan dat werkneemster in ernstige mate de bekwaamheid, vaardigheid en visie mist die nodig zijn voor haar functie, wat een verwijtbare dringende reden vormt. Volgens Badhotel heeft werkneemster niets gedaan om de financiële resultaten van de onderneming van Badhotel te verbeteren. Vanwege een ernstige vertrouwensbreuk is een verdere samenwerking tussen partijen uitgesloten. Werkneemster heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Badhotel heeft niet aannemelijk gemaakt dat werkneemster in ernstige mate de bekwaamheid, vaardigheid en visie mist die nodig zijn voor de vervulling van haar functie. Omdat Badhotel, gelet op de gesprekken in mei 2013, de ontslagvergunningsaanvraag bij het UWV, de op non-actiefstelling en thans het onderhavig ontbindingsverzoek, klaarblijkelijk alles in het werk heeft gesteld om te bereiken dat werkneemster uit dienst gaat, en gelet op het feit dat werkneemster thans ook zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt, is geen vruchtbare samenwerking meer mogelijk en wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. De oorzaak hiervan ligt geheel en al in de risicosfeer van Badhotel en de houding en de aanpak van Badhotel worden uiterst verwijtbaar geacht. Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is immers alleszins aannemelijk geworden dat werkneemster bij Badhotel in ongenade is gevallen door haar weigering om mee te werken aan het verwijderen van bepaalde facturen uit de boekhouding om elke vorm of schijn van frauduleus handelen te voorkomen. Badhotel heeft de desbetreffende uitlatingen van werkneemster in het geheel niet weersproken. Bovendien heeft werkneemster met de transcripten van de gesprekken op 14 en 21 mei 2013 voldoende aannemelijk gemaakt dat de heer X haar op intimiderende wijze onder druk heeft gezet om ontslag te nemen in verband met de voorgenomen overname van de onderneming van Badhotel door een derde partij. In dit geval wordt een vergoeding met C=2 (€ 400.000) billijk geacht. Het habe nichts-verweer van Badhotel faalt. Het verzoek om Badhotel te veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand wordt gedeeltelijk toegewezen.