Rechtspraak
werkgever/werknemers
Werknemers waren krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van werkgever, die een uitzendbureau drijft. United Telecommunications Services N.V. (hierna: UTS) heeft met werkgever een overeenkomst gesloten om telefonistes in te lenen. Werknemers zijn als uitzendkrachten van mei 2008 tot en met april 2011 bij UTS in die functie tewerkgesteld. Hun arbeidsovereenkomsten met werkgever zijn per 1 mei 2011 beëindigd. Werknemers vorderen betaling van het verschil tussen het aan hen betaalde salaris met emolumenten en het salaris met emolumenten dat hen op grond van de geldende cao-bepalingen voor dezelfde functie had behoren te worden betaald. Zij doen dit op grond van artikel 6 van het Landsbesluit op het ter beschikking stellen arbeidskrachten (P.B. 1996, no. 139) (hierna: het Landsbesluit en vergelijkbaar met de Waadi). Volgens werkgever is het Landsbesluit onverbindend.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het Landsbesluit strekt blijkens het ‘intitulé’ ter uitvoering van artikel 8 van de Landsverordening. Laatstgenoemde bepaling luidt: ‘Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen nadere regelen worden gesteld welke door de houder van een vergunning in acht genomen moeten worden.’ Voor het antwoord op de vraag of deze bepaling een voldoende wettelijke grondslag biedt voor artikel 6 lid 1 van het Landsbesluit, is het volgende van belang. Met de Landsverordening is blijkens de memorie van toelichting (p. 2-4) beoogd ‘enkele negatieve maatschappelijke gevolgen van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ tegen te gaan. In dat verband is onder meer gewezen op het feit dat ‘in bepaalde bedrijfstakken werkgevers hun arbeidskrachten een veel lager loon betalen dan andere werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten teneinde een hogere winst te kunnen maken’. Dat is ‘duidelijk in strijd met de goede verhoudingen op de arbeidsmarkt dan wel met de belangen van de betrokken arbeidskrachten’. Daarom wordt het ter beschikking stellen van arbeidskrachten door de werkgever aan derden gebonden aan een vergunningenstelsel, zodat ‘de arbeidsverhoudingen in goede banen worden geleid en de goede verhoudingen op de arbeidsmarkt en de belangen van de betrokken arbeidskrachten worden beschermd’. Uit de tekst van artikel 8 van de Landsverordening, gelezen in het licht van deze toelichting, volgt dat bij Landsbesluit nadere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de hoogte van het loon en de overige vergoedingen van uitzendkrachten, zoals in artikel 6 lid 1 van het Landsbesluit is gebeurd. De regeling van artikel 6 van het Landsbesluit is derhalve, als berustend op een wettelijke grondslag, verbindend. Het onderdeel faalt.