Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 december 2013
ECLI:NL:RBAMS:2013:8987
Stichting Algemeen Vlieger Belang/Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. c.s.
Tussen KLM en Martinair enerzijds en Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers (hierna: VNV) anderzijds is op 19 oktober 2011 het Ringvaart Akkoord (hierna: RVA) gesloten. Het RVA is aangemeld als cao. In het RVA zijn bepalingen opgenomen over de integratie van de vliegerkorpsen van KLM en Martinair. Op 31 oktober 2013 heeft VNV het RVA opgezegd tegen 31 december 2013. In de onderhavige procedure vordert de Stichting Algemeen Vlieger Belang (hierna: AVB) KLM te veroordelen het RVA ook na 1 januari 2014 toe te passen. Op grond van het RVA zullen de Martinair-piloten per 1 januari 2014 bij KLM in dienst treden. AVB stelt dat het RVA geen bepaling bevat omtrent de looptijd ervan. Derhalve moet het geacht worden te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Subsidiair stelt AVB dat het RVA is geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomsten van de piloten van Martinair. Als tussenkomende partij vordert VNV dat het KLM wordt verboden na 31 december 2013 uitvoering te geven aan artikel 2.3 van het RVA (waarin is bepaald dat de Martinair-piloten per 1 januari 2014 de gelegenheid krijgen naar KLM over te stappen), respectievelijk na 1 januari piloten van Martinair in dienst te nemen zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van VNV, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en dat de vorderingen van AVB worden afgewezen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Op 23 december 2013 heeft de kantonrechter te Haarlem op gezamenlijk verzoek van de bij het RVA betrokken partijen ex artikel 96 Rv geoordeeld dat het RVA met ingang van 31 december 2013 eindigt. Hoewel daarbij niet alle in dit kort geding betrokken partijen procespartij waren, wordt deze uitspraak wel als richtinggevend beschouwd.
Artikel 18 van het RVA moet worden gelezen als een mogelijkheid het RVA tussentijds op te zeggen ingeval zich de daarin genoemde omstandigheid voordoet (in dit geval: het door (ex-)werknemers van Martinair doen van een beroep op de wettelijke regeling inzake overgang van een onderneming). VNV mocht het RVA opzeggen vanwege het feit dat de Stichting Cockpitbelangen een procedure begon, waarbij een beroep werd gedaan op de wettelijke regeling inzake overgang van een onderneming. Niet in geschil is dat de overgang van de (thans nog) Martinair-piloten naar KLM per 1 januari 2014 van invloed kan zijn op de uitkomst van die procedure. De bepaling van artikel 18 van het RVA dient daarom zo te worden begrepen dat VNV mocht opzeggen tegen een vóór dat moment gelegen datum. Dat de opzegtermijn die VNV daarbij heeft gehanteerd te kort is, is niet aannemelijk geworden.
Het beroep op nawerking van de RVA faalt. In dat verband is in de eerste plaats van belang dat de werknemers over wie het hier gaat thans een arbeidsovereenkomst hebben met Martinair, zodat reeds om die reden niet aannemelijk is dat de in dit kort geding tegen KLM ingestelde vorderingen in een bodemprocedure toewijsbaar zijn. Bovendien kan nawerking er niet toe leiden dat de werknemer aanspraak kan maken op inhoudelijk andere arbeidsvoorwaarden dan hem in de cao zijn toegekend. Uit de bewoordingen van het RVA moet worden afgeleid dat de piloten van Martinair een recht op indiensttreding bij KLM is toegekend onder de voorwaarde dat het RVA op 1 januari 2014 nog werking zou hebben. Het betreft hier een voorwaardelijk toegekend recht, afhankelijk van een toekomstige omstandigheid. Tot slot faalt ook het beroep van AVB op de precontractuele goede trouw. De door AVB gevraagde voorzieningen worden geweigerd. Het wordt KLM verboden uitvoering te geven aan artikel 2.3 van het RVA.