Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Vestia Groep/werknemer
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 8 januari 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:51

Stichting Vestia Groep/werknemer

Vestia verwijt werknemer, voormalig kasbeheerder, dat hij een veel te omvangrijke en risicovolle derivatenportefeuille voor Vestia heeft opgebouwd en houdt werknemer aansprakelijk voor de schade. Werknemer mag tien personen oproepen in vrijwaringsprocedure

Werknemer is in dienst geweest van Vestia. Hij is werkzaam geweest als kasbeheerder. In de hoofdzaak houdt Vestia werknemer aansprakelijk voor door Vestia geleden schade in verband met haar derivatenportefeuille. Daarnaast vordert Vestia van werknemer een gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 jo. 7:680 BW. Hieraan legt Vestia, samengevat, ten grondslag dat werknemer is tekortgeschoten in de vervulling van zijn taak om de aan de financiering van Vestia verbonden risico’s te beheersen doordat hij een veel te omvangrijke en risicovolle derivatenportefeuille voor Vestia heeft opgebouwd, die tot grote financiële problemen bij haar heeft geleid. Vestia heeft de portefeuille afgekocht voor € 2 miljard op basis van de op 18 juni 2012 tussen Vestia en negen banken gesloten overeenkomst (hierna: de overeenkomst). Daarnaast verwijt Vestia werknemer dat hij in verband met de derivatentransacties die hij voor Vestia verrichtte heimelijk meer dan € 10 miljoen heeft aangenomen van een bij de derivatenportefeuille betrokken tussenpersoon. Werknemer verzoekt de rechtbank hem toe te staan om (rechts)personen in vrijwaring te dagvaarden, waaronder de algemeen directeur, bestuurders en een aantal commissarissen van Vestia.

De rechtbank oordeelt als volgt. De door werknemer gestelde grondslag voor vrijwaring is, kort gezegd, dat, mocht hij jegens Vestia schadeplichtig zijn, alle door hem genoemde personen naast hem jegens Vestia hoofdelijk zijn verbonden voor dezelfde schade als bedoeld in artikel 6:102 BW, zodat hij ingevolge artikel 6:10 BW een regresrecht heeft op deze personen. Aan de orde is of hetgeen werknemer met betrekking tot de door hem genoemde personen heeft gesteld voldoende is om oproeping in vrijwaring toe te staan. Geoordeeld wordt dat dit ten aanzien van tien personen het geval is. Werknemer stelt dat Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW), het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) en de Staat onrechtmatig hebben gehandeld jegens Vestia met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst, omdat het sluiten van de overeenkomst niet nodig was en er andere maatregelen getroffen hadden dienen te worden die ertoe zouden hebben geleid dat Vestia geen schade zou hebben geleden. Dit betoog kan niet dienen als toereikende grondslag voor vrijwaring van werknemer door het WSW, het CFV en de Staat. Het wordt werknemer toegestaan de tien personen in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de rolzitting van de rechtbank van woensdag 19 februari 2014.