Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 maart 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:1920
werknemer/DAS Rechtsbijstand
De werkgever van eiser heeft op 14 januari 2014 het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om toestemming ex artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) verzocht om de arbeidsovereenkomst met eiser te mogen beëindigen wegens bedrijfseconomische redenen. Eiser heeft DAS Rechtsbijstand op 17 januari 2014 verzocht om kostendekking voor rechtsbijstand in de ontslagprocedure door een externe advocaat. DAS Rechtsbijstand heeft eiser medegedeeld dat hij in deze geen recht heeft om zelf een advocaat te kiezen en dat, indien hij er toch voor kiest zijn belangen door een externe advocaat te laten behartigen, de hieraan verbonden kosten voor zijn rekening komen. Eiser heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat, gelet op het bepaalde in artikel 4:67 Wft en Richtlijn 87/344 EEG het hem vrijstaat op kosten van DAS Rechtsbijstand in het kader van de ontslagprocedure bij het UWV zelf zijn advocaat te kiezen of elke andere persoon met kwalificaties die door het nationale recht worden erkend. DAS Rechtsbijstand voert het verweer dat de ontslagprocedure ex artikel 6 BBA niet kan worden aangemerkt als een gerechtelijke of administratieve procedure als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder a van de richtlijn en artikel 4:67 Wft.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In dit geding staat centraal de vraag of de procedure waarin de werkgever van eiser voor de opzegging van zijn arbeidsverhouding voorafgaande toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzoekt, een administratieve procedure is als bedoeld in artikel 4:67 Wft en de richtlijn. Partijen zijn het erover eens dat het UWV geen rechterlijke instantie is maar een overheidsorgaan. Het gaat hier dan ook niet om een gerechtelijke procedure als bedoeld in artikel 4:67 Wft en de richtlijn. Verder is niet in geschil dat tegen de beslissing van het UWV geen beroep mogelijk is bij de bestuursrechter. Wel zijn er beperkte mogelijkheden om, nadat het UWV toestemming heeft verleend, bij de civiele rechter te trachten het ontslag te voorkomen. Ook kan eiser zich in dat geval tot de civiele rechter wenden voor een geldelijke vergoeding. In de Europese en Nederlandse rechtspraak is – voor zover de voorzieningenrechter bekend – het begrip ‘administratieve procedure’ als bedoeld in artikel 4:67 Wft en de richtlijn nog niet uitgelegd. Deze uitlegging is wel nodig om de hiervoor bedoelde centrale vraag in dit geding te beantwoorden. De uitlegging zal naar de inschatting van de voorzieningenrechter voor de rechtspraktijk in veel geschillen relevant zijn. Derhalve stelt de rechter een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad: Wat wordt verstaan onder het begrip ‘gerechtelijke of administratieve procedure’ als bedoeld in artikel 4:67 Wft en valt de procedure bij het UWV, die volgt op een verzoek van een werkgever om toestemming te verlenen voor opzegging van een arbeidsverhouding (ex art. 6 BBA), onder dit begrip?