Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 1 april 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:2612
Berkhof & Partners/werknemer
Op 23 april 2008 is tussen X VOF, waarvan de middellijk door Y bestuurde besloten vennootschap een van de vennoten was, en Berkhof een overeenkomst tot stand gekomen (hierna: de koopovereenkomst) waarbij de assurantieportefeuille door X VOF aan Berkhof is verkocht voor een bedrag van € 1.300.000. In deze koopovereenkomst staat een concurrentiebeding opgenomen. Op 1 juni 2008 is de assurantieportefeuille aan Berkhof geleverd. Y is 31 juli 2008 in dienst getreden van Berkhof op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar in de functie van adviseur. In deze arbeidsovereenkomst staat eveneens een concurrentiebeding opgenomen, inhoudende: ‘Wat het non concurrentiebeding betreft wordt hier verwezen naar de afspraken en bepalingen welke zijn vastgelegd in de koopovereenkomst van de portefeuille van X VOF waarbij o.a. is vastgelegd dat Y geen zaken mag doen met relaties van X VOF en Berkhof en partners, zoals die aanwezig zijn op het moment van het eventuele einde van de arbeidsovereenkomst.’ Kernvraag in deze procedure is of het relatiebeding zoals vervat in artikel 5 van de op 23 april 2008 tussen Berkhof en Y gesloten koopovereenkomst en het non-concurrentiebeding zoals vervat in artikel 18 van de op 31 juli 2008 gesloten arbeidsovereenkomst moeten worden geschorst totdat in een bodemprocedure een beslissing is genomen over de werking van deze bedingen. De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van deze bedingen dezelfde maatstaf aangelegd en beide bedingen geschorst.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof beantwoordt, anders dan de voorzieningenrechter heeft gedaan, de vraag naar de werking van het relatiebeding uit de koopovereenkomst niet aan de hand van de criteria die gelden voor een arbeidsrelatie. Een relatie/concurrentiebeding in een overnameovereenkomst en een dergelijk beding in een arbeidsovereenkomst dienen immers niet dezelfde doelen, zodat de bedingen op hun eigen merites moeten worden beoordeeld. Ten aanzien van de vraag naar de werking van het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst sluit het hof wel aan bij de criteria die gelden voor een arbeidsrelatie.
Met betrekking tot het concurrentiebeding uit de koopovereenkomst oordeelt het hof als volgt. In het kader van de gestelde strijd met artikel 6 van de Mededingingswet moet worden onderzocht of dit beding de mededinging verhindert, beperkt of vervalst in de zin van dat artikel. Daarbij neemt het hof, in navolging van HR 21 december 2012, NJ 2013/155, ECLI:NL:HR:2012:BX0345 (ANVR/IATA), het volgende tot uitgangspunt. In het mededingingsrecht staan vraagstukken van (niet zelden complexe) economische aard centraal. Degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dient dit te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. Een partij die zich op (een) mededingingsrechtelijke nietigheid beroept, kan derhalve in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van het mededingingsrechtelijke verbod, gepaard gaande met de stelling dat dit verbod in het desbetreffende geval is geschonden. Gelet hierop heeft Y naar het oordeel van het hof niet aan haar hiervoor aangeduide stelplicht voldaan, zodat haar beroep op nietigheid van artikel 5 van de koopovereenkomst reeds op die grond faalt. Op grond van Haviltex en de uitdrukkelijke bedoeling van (met name) Y om bij de verkoop van de VOF niet meer aan de relaties van de VOF te komen, oordeelt het hof dat dit relatiebeding niet voor schorsing in aanmerking komt.
Ten aanzien van het concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, oordeelt het hof als volgt. In dit kader acht het hof van belang dat de arbeidsovereenkomst maar zes maanden heeft geduurd, dat sinds de beëindiging ervan (per 31 december 2008) ruim vijf jaren zijn verstreken en dat dergelijke bedingen in de regel niet voor een periode van meer dan drie jaren worden aangegaan, althans dat er in het algemeen aanleiding is een voor een langere periode dan drie jaren overeengekomen relatie-/non-concurrentiebeding tot een periode van drie jaren te beperken. Gelet op deze omstandigheden acht het hof het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat in verhouding tot het te beschermen belang van Berkhof, Y door het non-concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld en Berkhof daardoor geen beroep meer toekomt op dit beding. Dit beding zal dan ook met onmiddellijke ingang worden geschorst.