Naar boven ↑

Rechtspraak

X/de Staat der Nederlanden (ministerie van Economische Zaken, Agentschap NL)
Rechtbank Den Haag, 23 oktober 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:19462

X/de Staat der Nederlanden (ministerie van Economische Zaken, Agentschap NL)

Nadat aanstelling ambtenaar is beëindigd, treedt hij dertien maanden later op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van payrollonderneming en verricht hij werkzaamheden voor overheidslichaam. Gebruik payrollconstructie leidt niet tot onrechtmatig handelen door de Staat.

X is van 1 januari 1993 tot en met 30 november 2005 werkzaam geweest bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Per 1 december 2005 is zijn aanstelling beëindigd. Op 1 januari 2007 is X in dienst getreden van BDG Technisch Administratieve Diensten BV (hierna: BDG), een payrollonderneming. Hij heeft werkzaamheden verricht voor SenterNovum (hierna: SN) – SN is later opgegaan in Agentschap NL – dat onderdeel is van het ministerie van Economische Zaken. Na een aanbesteding is de tot dan toe aan BDG verleende opdracht overgegaan op CapitalP, ook een payrollonderneming. X is in dienst getreden van CapitalP. X heeft wederom werkzaamheden verricht voor SN/Agentschap NL. Met ingang van 1 april 2011 heeft X als gevolg van bezuinigingen geen werkzaamheden meer verricht voor Agentschap NL. Per 31 december 2011 is de arbeidsovereenkomst tussen CapitalP en X met wederzijds goedvinden geëindigd. Thans vordert X een verklaring voor recht dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet als ambtenaar aan te stellen en/of hem niet op gelijke wijze te behandelen als de werknemers die door het Agentschap NL wel als ambtenaar zijn aangesteld. Zijn schade bestaat hierin dat hij met voorrang voor ontslag in aanmerking is gebracht en ook ontslagen is, terwijl hij, als hij ambtenaar was geweest, niet of hooguit later zou zijn ontslagen. In zijn geval is het ontslag niet getoetst, noch door UWV WERKbedrijf noch door de rechter, hetgeen strijd met artikel 6 EVRM oplevert.

De rechtbank oordeelt als volgt. De kern van het geschil kan worden samengevat in de vraag of de Staat, per 1 januari 2007, door de wijze van tewerkstelling (met gebruikmaking van de ‘payrollconstructie’) en door X dusdoende niet opnieuw aan te stellen als ambtenaar, jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Dit geschilpunt omvat mede de vraag naar de rechtmatigheid van het (mede ten opzichte van hem) gemaakte onderscheid tussen ambtenaren en ‘payrollers’. De rechtbank leest in de vordering en in de daarop gegeven toelichting niet de (algemene) stelling dat het de Staat niet – en dus nooit – vrijstaat gebruik te maken van de ‘payrollconstructie’. Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat zij deze stelling ook niet voor juist zou houden. Er is geen rechtsregel, ook niet in de vorm van een eenieder verbindende verdragsbepaling, die meebrengt dat het gebruik van de payrollconstructie ten gronde onrechtmatig is, in elk geval voor een publiekrechtelijk lichaam zoals de Staat. Het vonnis van 26 juni 2013 (AR 2013-0510) is hier niet mee in strijd. Die beslissing houdt niets in over de geoorloofdheid van de payrollconstructie in de hier bedoelde algemene zin. De Staat heeft niet onrechtmatig gehandeld door de payrollconstructie ten opzichte van X toe te passen. De situatie waarin X, als niet-ambtenaar, verkeerde toen hij de arbeidsovereenkomst aanging met een derde (de payrollonderneming BDG) om door deze te worden tewerkgesteld bij het overheidslichaam SN, verschilt niet wezenlijk van die van een willekeurige ander die via een payrollonderneming bij enig overheidslichaam gaat werken. En daarvoor geldt dat het (als feitelijke werkgever) aldus werkzaam doen zijn van een persoon bij de overheid, in dit geval de Staat, geen onrechtmatig overheidshandelen oplevert. Ook in dit opzicht heeft de rechtbank in haar vonnis van 26 juni 2013 niets anders beslist. Volgt afwijzing van de vorderingen.