Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 8 juli 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:2213
werknemer/BIS Industrial Services Nederland BV
Werknemer is als uitzendkracht werkzaam voor BIS. Op 22 oktober 2008 is werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden bij bedrijf 2 (het uitbreiden van een reeds aanwezige steiger) door een golfplaten dak gevallen. Hij is vier à vijf meter lager op een vloer terechtgekomen. Sindsdien is werknemer arbeidsongeschikt. Op het moment van de val droeg werknemer een harnasgordel, maar was hij niet aangelijnd. Alle steigerwerkers, ook ingeleende krachten, moeten bij aanvang van hun werkzaamheden voor BIS de Professional Work Force (PWF)-toets doorlopen, een toets waarin de vakbekwaamheid wordt getest. BIS kent een sanctiestelsel bij overtredingen van de veiligheidsvoorschriften. Werknemer heeft BIS aansprakelijk gesteld voor de schade. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen stellende dat BIS zijn zorgplicht is nagekomen.
Het hof oordeelt als volgt. In dit geval is sprake van het (uit)bouwen naar de zijkant toe van een bestaande steiger, waarbij de werknemer zich op smalle stalen binten op grote hoogte bevindt en vanuit die positie zijn werkzaamheden, waaronder het aanreiken/aannemen van materialen en het bevestigen van steigerdelen, verricht. In een dergelijke intrinsiek gevaarlijke situatie, waarin een aanzienlijk risico op vallen van grote hoogte bestaat en het daarvan te verwachten letsel ernstig kan zijn, moeten hoge eisen worden gesteld aan de door de werkgever te nemen maatregelen om de werknemer tegen dat risico te beschermen. Naar het oordeel van het hof heeft BIS evenwel niet, althans onvoldoende (gemotiveerd), gesteld dat zij ter handhaving van haar veiligheidsbeleid, veiligheidsregels en -instructies, ook daadwerkelijk in deze concrete werksituatie voldoende heeft gewaarschuwd voor de gevaren van het werken op grote hoogte en voldoende heeft toegezien op de naleving van haar instructie dat op steigers aangelijnd c.q. vastgehaakt moet worden gewerkt. Het moge zo zijn dat van BIS redelijkerwijs niet kan worden gevergd, en dat haar zorgplicht daarom niet zo ver gaat, dat zij (c.q. haar voormannen) op elk moment toezicht moet(en) houden op de steigerbouwers en moet(en) controleren of zij zijn aangelijnd. Het moge eveneens zo zijn dat de kans op ongevallen nooit is uitgesloten. Maar dat neemt niet weg dat van BIS wel een zekere mate van toezicht op de daadwerkelijke naleving in de praktijk van haar algemene instructies, waarschuwingen, richtlijnen en veiligheidsnormen mag worden verwacht. De algemene ervaring leert immers dat het daadwerkelijk regelmatig houden van toezicht op de naleving van dit soort regels (en het eventueel toepassen van sancties) ertoe leidt dat die regels beter en vaker worden nageleefd, ook op ‘toezichtloze’ momenten, dan wanneer geen of zeer weinig toezicht plaatsvindt. BIS had bijvoorbeeld aan het begin van deze specifieke klus en/of steeksproefsgewijs tussendoor, op de werkplek moeten waarschuwen voor de specifieke gevaren van het betreffende werk en controle moeten uitoefenen op de naleving door werknemers van de instructie tot aangelijnd werken. Dat BIS dat (voldoende) heeft gedaan, heeft zij niet (voldoende gemotiveerd) gesteld. Bovendien heeft BIS in het geheel niet gesteld dat zij bij het onderhavige werk, het uitbreiden van een steiger boven een golfplaten dak, de specifieke aan dat werk verbonden risico’s met werknemer en zijn collega’s heeft doorgenomen en daarvoor heeft gewaarschuwd. Volgt aansprakelijkheid van BIS.