Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 juli 2014
ECLI:EU:C:2014:2055
Hernández c.s./Reino de España
In de onderhavige Spaanse zaak gaat het om het volgende. De nationale regeling verplicht de Spaanse Staat – onder meer in geval van insolventie – slechts de lonen uit te keren die verschuldigd zijn geworden bij het verstrijken van de 60ste dag na het instellen van het beroep tegen het ontslag, voor zover het ontslag onrechtmatig is verklaard, en niet wanneer het ontslag nietig is verklaard. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze ongelijke behandeling tussen een werknemer wiens ontslag onrechtmatig is verklaard en een werknemer wiens ontslag nietig is verklaard, in strijd is met artikel 20 van het Handvest. In dit verband preciseert de verwijzende rechter dat het wezenlijke verschil tussen een onrechtmatig ontslag en een nietig ontslag er volgens de nationale regeling in bestaat dat in het eerste geval de werkgever de werknemer niet weer in dienst hoeft te nemen, maar de arbeidsovereenkomst onder betaling van een schadevergoeding kan beëindigen, terwijl in het tweede geval de werkgever verplicht is om de werknemer weer in dienst te nemen. Niettemin kan de nationale rechter ingeval de werkgever zijn activiteiten heeft stopgezet, de verplichting om de werknemer wiens ontslag nietig is verklaard weer in dienst te nemen, vervangen door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met betaling van een vergoeding. In al deze gevallen is de werkgever verplicht om de werknemer het loon uit te betalen dat verschuldigd is geworden tijdens de procedure waarin het ontslag wordt aangevochten. Wat de verplichting van de Spaanse Staat betreft om het loon te betalen dat tijdens de procedure waarin het ontslag wordt aangevochten, verschuldigd is geworden na de 60ste werkdag volgende op het instellen van het beroep, merkt de verwijzende rechter op dat de voornaamste schuldeiser van deze verplichting volgens de rechtspraak van het Tribunal Supremo (hoogste Spaanse rechter) de werkgever is, die niet het slachtoffer mag worden van vertraging bij gerechtelijke procedures. Werknemers kunnen dat loon op grond van artikel 116 lid 2 van het Wetboek van rechtsvordering in arbeidszaken (LPL) slechts rechtstreeks van de Spaanse Staat vorderen door subrogatie in dit recht van de werkgever, wanneer laatstgenoemde insolvent is en dit loon niet is uitgekeerd. Aangezien de werkgever in geval van een nietig ontslag de Spaanse Staat niet om terugbetaling van het uitbetaalde loon kan verzoeken, kunnen de werknemers die door een dergelijk ontslag zijn getroffen niet in de rechten van hun insolvente werkgever treden en de achterstallige lonen van de staat vorderen.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet, om te bepalen of een nationale regeling het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51 lid 1 van het Handvest, onder meer worden nagegaan of zij de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt, wat de aard van deze regeling is en of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het Unierecht ziet, ook al zou die regeling dit recht indirect kunnen beïnvloeden, en of er een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is voor deze materie of deze kan beïnvloeden (zie arresten Annibaldi, ECLI:EU:C:1997:631, punten 21-23; Iida, C-40/11, ECLI:EU:C:2012:691, punt 79; Ymeraga e.a., C-87/12, ECLI:EU:C:2013:291, punt 41, en Siragusa, ECLI:EU:C:2014:126, punt 25). Wat de doelstellingen betreft van de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit het bij het Hof ingediende dossier en de verklaringen van de Spaanse regering ter terechtzitting dat deze regeling een stelsel invoert volgens hetwelk de Spaanse Staat aansprakelijk is wegens de ‘abnormale werking’ van de rechtsbedeling. Daartoe kennen artikel 57 van het werknemersstatuut en artikel 116 lid 1 LPL de werkgever het recht toe om, wanneer de procedure waarin een ontslag wordt aangevochten langer dan 60 dagen duurt, van de Spaanse Staat terugbetaling te vorderen van het loon dat na de 60ste werkdag volgende op het instellen van deze procedure is uitbetaald. Voor zover werknemers op grond van artikel 116 lid 2 LPL de Spaanse Staat rechtstreeks kunnen verzoeken om betaling van dat loon, indien de werkgever in staat van voorlopige insolventie verkeert en dit loon nog niet heeft uitbetaald, is dat door wettelijke subrogatie in het recht van de werkgever ten aanzien van de Spaanse Staat. Hieruit volgt dat artikel 116 lid 2 LPL niet de erkenning beoogt van een vordering die de werknemer op basis van zijn arbeidsverhouding heeft ten aanzien van zijn werkgever en waarop Richtlijn 2008/94 eventueel van toepassing is ingevolge artikel 1 lid 1 daarvan, maar van een ander soort recht, te weten het recht van de werkgever om van de Spaanse Staat herstel te vorderen van de schade die hij heeft geleden ten gevolge van een ‘abnormale werking’ van de rechtsbedeling, dat voortvloeit uit het feit dat de nationale wettelijke regeling de werkgever verplicht om loon uit te keren gedurende de periode waarin een ontslag wordt aangevochten. Voor zover artikel 116 lid 2 LPL recht geeft op de betaling van een bedrag gelijk aan het loon dat na de 60ste werkdag van deze procedure verschuldigd is, vormt dit bedrag dus een schadevergoeding die door de Spaanse wetgever wordt toegekend aan de werkgever en waarop de werknemer alleen aanspraak kan maken ingevolge een wettelijke subrogatie. Bovendien moet worden opgemerkt dat het uit artikel 57 van het werknemersstatuut en artikel 116 LPL voortvloeiende recht niet ziet op het loon dat verschuldigd is gedurende de eerste 60 werkdagen van de procedure waarin een ontslag wordt aangevochten. Aangezien deze bepalingen geen recht op betaling geven wanneer de procedure tot betwisting van een ontslag minder dan 60 dagen duurt, waarborgen zij niet de door de artikelen 3 en 4 lid 2 van Richtlijn 2008/94 vereiste betaling van het loon over ten minste de laatste drie maanden van de arbeidsbetrekking. Tijdens de periode na de 60ste werkdag tot en met de betekening van het vonnis waarin de onrechtmatigheid van dit ontslag wordt vastgesteld, geldt dit recht daarentegen voor het hele loon, zonder enige beperking. Uit deze kenmerken van de regeling aan de orde in het hoofdgeding blijkt dat zij een ander doel beoogt dan Richtlijn 2008/94, die een minimumbescherming van werknemers bij insolvabiliteit van hun werkgever wil waarborgen. De betrokken regeling voorziet namelijk in het herstel door de Spaanse Staat van de schadelijke gevolgen van een gerechtelijke procedure die langer dan 60 werkdagen duurt. Hoewel de overeenkomstig artikel 116 lid 2 LPL betaalde bedragen hoger kunnen zijn dan de door het Fogasa gewaarborgde loonaanspraken, blijkt uit de opmerkingen van de Spaanse regering dat dit voortvloeit uit het feit dat deze bepaling recht geeft op een schadevergoeding waarvan het bedrag niet is begrensd, precies om de Spaanse Staat aansprakelijk te stellen voor de bovenmatige duur van gerechtelijke procedures, en voorts dat dit niet de uitdrukking is van een besluit van de Spaanse wetgever om werknemers een bijkomende bescherming te bieden bovenop de waarborg van het Fogasa (waarborgfonds).
Gelet op het voorgaande, dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2008/94 valt, voor zover zij bepaalt dat een werkgever van de betrokken lidstaat betaling kan vorderen van het loon dat tijdens de procedure waarin een ontslag wordt aangevochten, verschuldigd is geworden na de 60ste werkdag volgende op het instellen van het beroep, en dat wanneer de werkgever dit loon niet heeft uitbetaald en in staat van voorlopige insolventie verkeert, de betrokken werknemer de betaling daarvan door wettelijke subrogatie rechtstreeks van deze staat kan vorderen. Bijgevolg kan een dergelijke regeling niet worden onderzocht in het licht van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten en, met name, artikel 20 ervan.