Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 6 mei 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:1762
werknemers/European Space Agency (ESA)
ESA is een internationale, intergouvernementele organisatie met eigen rechtspersoonlijkheid. ESA is in 1975 opgericht bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, gesloten te Parijs op 30 mei 1975, Trb. 1975/123 (hierna: het ESA-Verdrag). Artikel IV van Bijlage I bij het ESA-Verdrag bepaalt dat ESA, behoudens een aantal hier niet terzake doende uitzonderingen, immuniteit van jurisdictie geniet. Werknemers (103 in totaliteit) zijn in dienst van ESA en als zodanig werkzaam voor het European Space Research and Technology Centre (ESTEC), de ESA-standplaats in Noordwijk. Omdat werknemers, die geen van allen de Nederlandse nationaliteit bezitten, ten tijde van hun indiensttreding bij ESA meer dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die voor 1 januari 1996 in dienst traden) in Nederland woonden, worden zij op grond van de toepasselijke ESA Staff Regulations, Rules and Instructions (hierna: Staff Regulations) beschouwd als lokaal geworven personeel. Tussen werknemers en ESA is een geschil ontstaan over hun arbeidsvoorwaarden. Kort gezegd komt dit geschil erop neer dat werknemers menen dat zij ongelijk worden behandeld ten opzichte van bepaalde andere werknemers van ESA. Deze ongelijke behandeling bestaat volgens werknemers hierin dat zij, als lokaal geworven personeel, geen expatriation allowance (hierna: ontheemdingstoelage) ontvangen, terwijl werknemers die bij indiensttreding niet of minder dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die voor 1 januari 1996 in dienst traden) in Nederland woonden, die toelage wel ontvangen. Volgens werknemers is dit onderscheid discriminatoir omdat zij dezelfde persoonlijke en financiële nadelen van een dienstbetrekking buiten hun land van herkomst ondervinden als de werknemers die de ontheemdingstoelage wel ontvangen. Werknemers beroepen zich voor hun stelling dat de Nederlandse rechter in dit geval voorbij zou moeten gaan aan de in de Bijlage I bij het ESA-Verdrag aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie, op artikel 6 EVRM.
Het hof oordeelt als volgt. Het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM echter niet absoluut. Dit recht kan worden beperkt, mits de kern van het recht niet wordt aangetast en mits de beperking een legitiem doel dient en proportioneel is ten opzichte van het met de beperking nagestreefde doel. Het EHRM heeft in de zaken Beer and Regan v. Germany (28934/95) en Waite and Kennedy v. Germany (26083/94) van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie als ESA een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan partijen als werknemers ‘reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention’ ten dienste staan. Het hof leidt uit de uitspraken van het EHRM in de twee genoemde zaken, alsmede uit zijn uitspraken in de zaken A.L. v. Italy (41387/98) van 11 mei 2000 en Bosphorus v. Ireland (45036/98) van 30 juni 2005 af, dat het daarbij niet gaat om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als artikel 6 EVRM, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar (‘comparable’) is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter ‘the essence of their right to a court’ (‘la substance même du droit’) aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten ‘manifestly deficient’ is. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de stellingen en grieven van werknemers getoetst moeten worden aan de vraag of de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie het wezen van hun recht op toegang tot de rechter heeft aangetast. Aangezien werknemers zich er daarbij uitsluitend op beroepen dat de door ESA in het leven geroepen alternatieve rechtsgang ontoereikend is, dient het hof tegen de achtergrond van de door het EHRM aangelegde maatstaf, te toetsen, niet zoals werknemers kennelijk menen of de rechtsgang bij de Appeals Board in alle opzichten aan artikel 6 EVRM beantwoordt, zoals dit door het EHRM wordt uitgelegd wanneer de rechtsgang bij de overheidsrechter ter discussie wordt gesteld, maar of deze alternatieve rechtsgang zodanige gebreken vertoont dat het wezen van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van werknemers op toegang tot de rechter wordt aangetast respectievelijk of de aan hen in de alternatieve rechtsgang verleende bescherming kennelijk ontoereikend (‘manifestly deficient’) is. De klacht dat de rechtbank verzuimd heeft de rechtsgang als geheel te onderzoeken is kennelijk door werknemers aldus uitgewerkt, dat zij de rechtbank verwijten dat deze geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de leden van de Appeals Board worden benoemd door het hoogste bestuursorgaan van de ESA, de Council, dat dit een te nauwe verbondenheid met de ESA met zich brengt en dat de leden van de Appeals Board onbeperkt kunnen worden herbenoemd. Deze klacht gaat niet op. Naar het oordeel van het hof is de benoemingstermijn van (telkens) zes jaar voldoende om de onafhankelijkheid van de leden van de Appeals Board te waarborgen, ook al worden de leden benoemd en (eventueel) herbenoemd door de Council. Het hof verwijst in dit verband naar de uitspraak van het EHRM inzake A.L. v. Italy van 11 mei 2000, waaruit blijkt dat het EHRM een benoemingstermijn van drie jaar niet te kort acht. Deze omstandigheden kunnen dan ook niet bijdragen tot het oordeel dat de rechtsgang bij de Appeals Board niet voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Dat de Appeals Board de schijn van partijdigheid wekt is onvoldoende aangetoond. Niet valt in te zien dat het feit dat de ESA partij is in alle gedingen voor de Appeals Board en dat de ESA vertrouwd is met de Appeals Board maar individuele werknemers niet, ertoe kan leiden dat ten aanzien van de leden van de Appeals Board de schijn van partijdigheid ontstaat. Ook de stelling dat geen enkele werknemer van ESA gelooft dat hij bij de Appeals Board een eerlijk proces zal krijgen, indien juist, leidt niet tot een andere conclusie aangezien geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die een dergelijke opvatting objectief kunnen rechtvaardigen. De enkele subjectieve beleving bij werknemers is daartoe onvoldoende. Ook de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan (hervorming van) de rechtsgang bij andere internationale organisaties is ongegrond. Uit de omstandigheid dat andere (vergelijkbare) internationale organisaties mogelijk een betere of modernere rechtsgang hebben dan ESA, volgt niet dat de rechtsgang bij ESA het wezen van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces aantast.