Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 mei 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:1685
Mammoet Europe B.V./Drie-S Invest B.V. en Stoof
Stoof heeft zich toegelegd op de ontwikkeling van innovatieve technieken op het gebied van het hijsen en transporteren van zware gewichten. Hij heeft in dat kader een hijstoestel ontwikkeld dat SSG is genaamd. Stoof heeft zijn activiteiten in 1996 ondergebracht in Stotra B.V. De aandelen van Stotra werden voor 50% gehouden door Drie‑S en voor 50% door (een rechtsvoorganger van) Mammoet (verder ook te noemen: Mammoet). In 1998 heeft Mammoet de aandelen van Drie-S Invest gekocht. Stoof is toen in dienst getreden van Mammoet als technisch directeur (en afgetreden als directeur van Stotra). In juli 2000 heeft Van Seumeren Holland B.V. de aandelen van Mammoet overgenomen. In augustus 2000 werd aan Stoof meegedeeld dat zijn functie kwam te vervallen en is aan Stoof een andere functie aangeboden. Stoof ging hiermee niet akkoord, waarop Mammoet zich beriep op de bindende partijbeslissing inzake toerekenbare tekortkoming door Stoof/Drie-S Invest, hetgeen heeft geleid tot het arrest Drie-S Invest (Stoof/Mammoet I) van 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0513. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat een bindende patijbeslissing zoals in casu nietig is, want in strijd met het beschermingsbeginsel van het arbeidsrecht indien een orgaan arbeidsrechtelijke sancties kan opleggen. Nadien heeft Stoof zijn werkzaamheden niet hervat. In zijn arrest van 11 juli 2008 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2008:BD1847 is geoordeeld dat de loonvordering van Stoof vanaf 1 september 2001 terecht is afgewezen. De arbeidsovereenkomst is wegens het verstrijken van de duur waarvoor hij was aangegaan (10 jaar) per 1 januari 2008 geëindigd. In deze procedure vordert Drie-S Invest alsnog betaling van de koopprijstermijnen en stelt daartoe dat het conflict tussen Stoof en Mammoet, Mammoet niet ontslaat van de betaling van de koopsom (temeer nu de bindende partijbeslissing in casu nietig was).
Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof volgt uit de overweging van de Hoge Raad onomstotelijk, dat het beding van artikel 6 lid 2 van de koopovereenkomst, inhoudende dat de raad van commissarissen van Mammoet bindend kan vaststellen dat Stoof toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst als gevolg waarvan de vordering van Drie-S tot voldoening van de nog verschuldigde termijnen van de koopovereenkomst komt te vervallen, nietig is, omdat aldus een voor Stoof ongunstige beslissing van de raad van commissarissen op arbeidsrechtelijk vlak onmiddellijk doorwerkt in de rechten van Drie-S uit de koopovereenkomst bij welke rechten de belangen van Stoof ten nauwste zijn verbonden. De aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beschermingsgedachte verhoudt zich hiermee niet. Het enkele feit dat de Hoge Raad voornoemd oordeel heeft uitgesproken in kort geding en dat hieraan geen gezag van gewijsde toekomt, doet hieraan niet af. Dit geldt ook voor het feit dat Stoof niet 100%, maar 70% van de aandelen in Drie-S houdt, omdat ook in die situatie moet worden geoordeeld dat de belangen van Stoof ten nauwste bij Drie-S zijn betrokken. De omstandigheid dat advocaat-generaal Timmerman in zijn conclusie aandacht heeft besteed aan het feit dat artikel 6 niet is opgenomen in de arbeidsovereenkomst van Stoof, maar in de (driepartijen)koopovereenkomst, vormt een aanwijzing dat de Hoge Raad dit feit niet over het hoofd heeft gezien, maar dat sprake is van een weloverwogen beslissing. Daarbij komt dat de koopovereenkomst – anders dan Mammoet betoogt – niet een ‘gewone’ (tweepartijen)koopovereenkomst is waar Stoof geheel buiten staat, maar dat sprake is van een driepartijenovereenkomst, die ten nauwste samenhangt met de arbeidsovereenkomst van Stoof en die (mede in verband daarmee) door Stoof in persoon is ondertekend. Stoof/Mammoet I past naar het oordeel van het hof bovendien naadloos in de reeks van uitspraken die de Hoge Raad eerder en later deed over samenhangende rechtsverhoudingen (zie onder meer HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2555, NJ 1999/97; HR 29 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2660, NJ 1999/98; HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3408, NJ 2010/496, alle drie m.nt. Vranken; HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3162; HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907 en HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4992). Indien moet worden aangenomen dat partijen met artikel 6 lid 1 van de koopovereenkomst hebben beoogd zeker te stellen dat Stoof alle uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen zou nakomen en hem in een hiërarchisch verband aanstuurbaar te houden, met als sanctie het verval van de resterende termijnen van de koopsom bij niet-nakoming, dan is naar het oordeel van het hof door de samenhangende rechtsverhoudingen sprake van een (verkapte) arbeidsrechtelijke sanctie, die nietig is vanwege strijd met artikel 7:650 lid 6 BW, zodat het oordeel niet anders kan luiden dan dat ook artikel 6 lid 1 nietig is, op grond waarvan aan conversie niet kan worden toegekomen. Reeds hierop strandt het verweer van Mammoet ter zake van de verschuldigdheid van de jaarlijkse termijnen van de koopsom.
Mammoet stelt zich op het standpunt dat uit Stoof/Mammoet II volgt dat Stoof jegens Mammoet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, door ten onrechte afwijzend te reageren op voorstellen van Mammoet tot wijziging van zijn functie en ten onrechte het werk niet te hervatten. Daarmee is volgens Mammoet zonder meer sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6 lid 1 aanhef en onder a van de koopovereenkomst, waarmee zij is bevrijd van de verplichting tot voldoening van de nog resterende termijnen van de koopsom. Het hof overweegt evenwel als volgt. Indien partijen hadden bedoeld dat iedere toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst zou leiden tot verval van de verplichting de verdere termijnen van de koopsom te voldoen, valt immers niet te begrijpen, (1) waarom artikel 6.1, naast een onderdeel a ook nog een onderdeel b heeft (die bepaling zou dan immers zinledig zijn) en (2) waarom partijen zo uitgebreid over de tekst van artikel 6 hebben onderhandeld, zoals door Stoof en Drie-S Invest (onweersproken) is gesteld. Uitgaande van de bedoeling van partijen om met artikel 6 zeker te stellen dat Stoof bij de onderneming van Stotra betrokken zou blijven om de waarde van die onderneming te waarborgen, ligt een zwaar accent op de Job Description zoals door Stoof c.s. bepleit, in de rede. Dit betekent dat uit Stoof/Mammoet II niet kan worden afgeleid dat Stoof is tekortgeschoten als bedoeld in artikel 6 zodat ook dit verweer faalt.
Voorts acht het hof het beroep van Mammoet op artikel 6 van de koopovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het voorgaande brengt met zich dat Mammoet alsnog de termijn (incl. de verschuldigde rente) aan Drie-S Invest moet betalen.