Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Oranjebuild B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 april 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:6292

werknemer/Oranjebuild B.V.

Geen spoedeisend belang bij loonvordering die zestien maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst wordt ingesteld. Werknemer niet-ontvankelijk in kort geding.

Werknemer is sinds 2005 werkzaam geweest bij Oranjebuild in de functie van isolatiemonteur. Op 7 december 2012 is middels een vaststellingsovereenkomst de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst per die datum beëindigd. Werknemer vordert betaling van achterstallig loon. Werknemer stelt dat Oranjebuild hem sinds zijn indiensttreding tot het moment van beëindiging van het dienstverband te weinig loon heeft betaald. Werknemer meent dat hij ook betaald diende te worden voor uren waarin Oranjebuild geen werk voor hem had en dat heeft Oranjebuild niet gedaan. Daarnaast is met regelmaat een lager uurloon gehanteerd.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In beginsel kan bij een loonvordering worden volstaan met de enkele stelling dat er sprake is van spoedeisendheid, nu de spoedeisendheid uit de aard van de vordering blijkt. Immers, iemand is in de regel afhankelijk van zijn loon om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit is echter anders indien de loonvordering, zoals in dit geval, van langere tijd geleden is. Vast staat dat werknemer pas zestien maanden na de datum waarop partijen middels een vaststellingsovereenkomst de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst hebben beëindigd de onderhavige vordering heeft ingesteld. Werknemer heeft hiervoor geen duidelijke reden gegeven. Andere stellingen die werknemer met betrekking tot het spoedeisend belang heeft ingenomen, dat hij op dit moment schulden heeft en dat hij spoedig naar Turkije wil remigreren, zijn geen deugdelijke argumenten die het beroep van werknemer op het spoedeisend belang in het onderhavige geschil kracht kunnen bijzetten. Betalingsonmacht en de wens om te emigreren zijn zaken die primair voor risico van werknemer komen, zolang geen verband met de onderhavige vordering aannemelijk is gemaakt. Van enig verband is niet gebleken. Overigens blijkt uit deze stellingen een aanzienlijk restitutierisico. Werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. Ten overvloede en slechts ter informatie merkt de kantonrechter nog op dat ook een inhoudelijke beoordeling van de vordering niet in een toewijzing zou hebben geresulteerd. De door werknemer in 2012 getekende kwijtingsverklaring maakt, voor zover deze al niet direct tot afwijzing zou moeten leiden, op zijn minst nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering noodzakelijk. Voor dergelijk onderzoek leent een kortgedingprocedure zich niet.