Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 5 augustus 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:2538
@-Linq B.V./Gulf Extrusions LLC
Gulfex houdt zich bezig met de productie van aluminium profielen. Zij is gevestigd in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten. @-Linq houdt zich bezig met het voeren van agentschappen en het ontplooien van sales- en marketingactiviteiten op het gebied van aluminium. X is 100% aandeelhouder van @-Linq en de enige voor deze vennootschap werkzame persoon. Tussen @-Linq en Gulfex geldt een distributieovereenkomst. Daarnaast is tussen Gulfex en X een Company Representative Contract gesloten. Vervolgens heeft @-Link elke maand aan Gulfex een factuur gestuurd ten bedrage van € 8.500 vermeerderd met bankkosten, welke facturen tot en met mei 2011 door Gulfex aan @-Link zijn betaald. Er zijn door Gulfex geen rechtstreekse betalingen aan X gedaan. In juni 2011 zegt Gulfex de overeenkomst op. @-Linq stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst naar Nederlands recht en vordert loon.
Het hof oordeelt als volgt. Allereerst met betrekking tot de bevoegdheid, oordeelt het hof als volgt. De in het geding zijnde overeenkomst(en) kennen een geldige forumkeuze voor de gerechten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE), alwaar Gulfex is gevestigd. @-Link stelt weliswaar dat zij niet eerder de geldigheid van de forumkeuze heeft erkend, maar niet dat zij die betwist. @-Link doet een beroep op artikel 8 lid 3 Rv, dat voorziet in de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ondanks een geldige forumkeuze voor een andere rechter. @-Link stelt dat er tussen X en Gulfex sprake is van een individuele arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van haar vordering op grond van een agentuurovereenkomst doet zij een beroep op reflexwerking van genoemde bepaling. Daarnaast stelt @-Link dat vanwege het gelegde beslag uit artikel 767 Rv rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgt. Tot slot doet @-Link een beroep op artikel 9 onder c Rv stellende dat een gerechtelijke procedure in Dubai niet van @-Link/X kan worden gevergd. De uitzonderingen van artikel 8 lid 3 Rv dienen – in beginsel – restrictief te worden toegepast. Er is in het onderhavig geding geen grond om deze bepaling extensief uit te leggen, in die zin dat deze ook geldt in het geval van een agentuurovereenkomst met een ‘kleine partij’. Een reflexwerking zoals @-Link verdedigt is dus niet aan de orde.
Wat de arbeidsovereenkomst betreft, oordeelt het hof als volgt. @-Link werkte reeds enige jaren als agent voor Gulfex. Op enig moment sloten zij met elkaar de Representative Agreement. Deze overeenkomst voorziet in een afrekening op commissiebasis. Kort daarop is ook de Company Representative Contract tot stand gekomen. Tegen deze achtergrond is onvoldoende onderbouwd waarom de Company Representative Contract zelfstandig bestaansrecht heeft, en dus ook dat deze een afzonderlijke overeenkomst is. Uit het enkele feit dat de Company Representative Contract melding maakt van ‘Luc X’ en ook door hem is ondertekend is niet af te leiden dat X hier als zelfstandige contractspartij handelde, met zelfstandige rechten en plichten, in plaats van als vertegenwoordiger van @-Link. Of de Company Representative Contract nu wel of niet een Appendix is bij de Representative Agreement maakt dit niet anders. De omstandigheid dat de Company Representative Contract voorziet in een aantal activiteiten die in de Representative Agreement niet zijn genoemd, wijst ook niet op een zelfstandige status. Zij passen naar de aard bij de taakomschrijving in de Representative Agreement. Deze aanvullende activiteiten zijn ook niet afzonderlijk gefactureerd door @-Link/X en/of betaald door Gulfex. Uit het voorgaande volgt dat de Company Representative Contract geen overeenkomst is tussen Gulfex en X als persoon. Het hof komt daarom niet toe aan de vraag of de Company Representative Contract als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt (HR 5 april 2002, NJ 2003/124 (ABN AMRO/Malhi)). Reeds hierom is van een arbeidsovereenkomst tussen X en Gulfex geen sprake.