Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 juli 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:6351
werknemer/Arturo Riva B.V.
Werknemer is in 2004 als controller in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster) van Arturo Riva. Per 1 januari 2010 is hij benoemd tot statutair bestuurder. Op 8 februari 2013 heeft werknemer zich laten uitschrijven als statutair bestuurder bij de Kamer van Koophandel. Tussen partijen is in geschil of het besluit van werknemer om ontslag te nemen als statutair bestuurder ook tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst heeft geleid. Werknemer stelt dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en niet rechtsgeldig is beëindigd. Subsidiair stelt werknemer dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Arturo Riva betwist de stellingen van werknemer.
De rechtbank oordeelt als volgt. Bij beantwoording van de vraag of werknemer en Arturo Riva ondanks de ontslagneming van werknemer als bestuurder, instandhouding van de dienstbetrekking zijn overeengekomen is het volgende van belang. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Een aanbod is door werknemer niet gesteld. Voor wat betreft het bestaan van een ‘aanvaarding’ heeft werknemer verwezen naar het feit dat hij zijn werkzaamheden mocht blijven voortzetten waardoor de schijn is gewekt dat de arbeidsrechtelijke band niet is beëindigd. Vaststaat dat werknemer na zijn ontslagname als statutair directeur werkzaamheden is blijven uitvoeren voor Arturo Riva. Dit enkele gegeven is echter onvoldoende om te concluderen dat Arturo Riva een door werknemer gedaan aanbod heeft aanvaard. Het gegeven dat werknemer zijn werkzaamheden van Arturo Riva mocht voortzetten kan (ook) worden gezien in het kader van de overdracht aan de opvolger van werknemer. Enkel aan dit feit kon werknemer niet het gerechtvaardigd vertrouwen (als bedoeld in art. 3:35 BW) ontlenen dat Arturo Riva daarmee beoogde de dienstbetrekking – ondanks zijn ontslagname als bestuurder – in stand te houden. Aldus bestond er tussen partijen geen wilsovereenstemming over instandhouding van de dienstbetrekking tussen Arturo Riva en werknemer. Uit het feit dat Arturo Riva na afloop van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2013 een gewijzigde arbeidsovereenkomst heeft aangeboden blijkt uiteraard niet dat partijen instandhouding van de dienstbetrekking zijn overeengekomen, noch dat werknemer daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Een ‘uitzonderlijk geval’, waarin reden is voor een splitsing tussen de vennootschappelijke en arbeidsrechtelijke positie, zoals onder 2.7 in de conclusie van A-G Timmerman bij het arrest Seebregts/NH (JAR 2006/66) genoemd, doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Het enkele feit dat werknemer voordat hij bestuurder werd al een arbeidsovereenkomst met de vennootschap had als controller is niet voldoende. Voorts staat vast dat werknemer naast de werkzaamheden die hij voorheen als controller deed, commerciële activiteiten verrichtte en verantwoordelijk was voor de gehele gang van zaken binnen Arturo Riva in Nederland (een vennootschap met een omzet van 10 miljoen en 22 werknemers in dienst). Van ‘functioneel bestuurderschap’ is derhalve geen sprake geweest. Dat werknemer zich, als directeur van een vennootschap die deel uitmaakte van een groep, diende te richten naar het groepsbeleid en in dat kader ook aanwijzingen van de aandeelhouder(s) ontving, doet daar niet aan af. Nu werknemer zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, kan geen schadevergoeding op grond van artikel 7:681 BW worden toegekend. Volgt afwijzing van de vorderingen.