Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 september 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:7368
Stichting Vestia Groep/X c.s.
X is sinds 1992 (enig) bestuurder van (een rechtsvoorganger van) Vestia. Op enig moment zijn X en Vestia overeengekomen dat de pensioenopbouw van X gebaseerd zou zijn op een eindloonregeling. Nadien is die eindloonregeling vervangen door een beschikbarepremieregeling, met alle onzekerheid van dien met betrekking tot de hoogte van de op de pensioendatum (op dat moment 1 maart 2011, de eerste van de maand waarin X zestig zou worden) beschikbare pensioenuitkering. In februari 2010 besluit de kernraad van de (toenmalige) raad van commissarissen van Vestia nadere afspraken met X vast te leggen over de pensioenuitkering. In Aanvulling II wordt door de kernraad en X vastgelegd dat Vestia en X bij de overeengekomen beschikbarepremieregeling ‘de intentie hebben gehad dat de hoogte van de uitkering op 1 maart 2011 ongeveer gelijk zou blijven aan de afspraken zoals vastgelegd in de arbeidsovereenkomst’. Vervolgens besluit diezelfde kernraad kennelijk alvast tot het in depot storten van een bedrag van € 2,8 miljoen, zijnde het geschatte verschil tussen de pensioenuitkering op basis van een eindloonregeling en de pensioenuitkering op basis van de (geldende) beschikbarepremieregeling. Het was kennelijk in fiscaal opzicht niet verstandig al vóór de pensioendatum (namelijk vóór 1 januari 2011) de bijstorting te doen, doch beter om dat pas te doen na beëindiging van het dienstverband van X – op dat moment een nog onzekere datum. Vestia en X komen in de Overeenkomst al wel overeen dat die nabetaling alsdan € 3.170.040,19 zal bedragen. Ook wordt in de Overeenkomst afgesproken dat X op het moment dat het dienstverband is beëindigd een salarisnabetaling van € 358.292,16 zal krijgen. Op 30 januari 2012 is werknemer teruggetreden als bestuurder. Met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst komt aan de orde de betaling van de bijstorting van het pensioen en de nabetaling, waartoe Vestia zich in de Overeenkomst had verplicht. De in de Overeenkomst genoemde (bruto)bedragen van € 3.170.040,19 resp. € 358.292,16 zijn op 31 januari 2012 door Vestia aan X betaald. Partijen zijn met name verdeeld over de vraag of Vestia aan de gemaakte afspraken is gebonden. Vestia vordert primair te verklaren voor recht dat het RvC-besluit van 30 november 2011 voor zover dat betreft instemming met of goedkeuring van de betaling aan X van het bedrag van (bruto) € 3.528.332,35 niet-bestaand (non-existent) is, dan wel krachtens het bepaalde in artikel 2:14 BW en artikel 2:15 BW nietig althans vernietigbaar is.
De rechtbank oordeelt als volgt. Aan de rechtbank ligt slechts ter beoordeling voor of het besluit van 30 november 2011 en het besluit van 30 januari 2012 geldig zijn. De geldigheid van in het verleden genomen besluiten die tot gevolg hebben gehad dat Aanvulling II en de depotakte zijn tot stand gekomen liggen niet ter beoordeling aan de rechtbank voor. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de besluiten van 30 november 2011 en 30 januari 2012 kan de rechtbank in beginsel geen gewicht toekennen aan de achtergronden van het terugtreden van X in januari 2012. Over die achtergronden en over de vraag of X eventueel een verwijt treft ter zake van financieel nadeel dat door Vestia is geleden als gevolg van derivatentransacties is in deze procedure geen debat gevoerd tussen partijen, en het is niet aan de rechtbank om zich daarover in deze procedure op enigerlei wijze uit te laten. Eveneens is in deze procedure uitgangspunt de omstandigheid dat X tot januari 2012 de enige bestuurder was van Vestia en dat de raad van commissarissen van Vestia deels was gevuld met bekenden van X. Geoordeeld wordt dat de besluiten van 30 november 2011 en het besluit van 30 januari 2012 geldig zijn. De kernraad, bestaande uit de voorzitter en de secretaris, was bevoegd een besluit te nemen over de nog openstaande punten ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (pensioen en salaris) van X. Het beroep op dwaling faalt, omdat de toenmalige leden van de raad van commissarissen van mening zijn dat zij niet hebben gedwaald. Ook het beroep van Vestia op het uitkeringsverbod voor stichtingen (art. 2:285 lid 3 BW) en het beroep op artikel 3:40 BW slaagt niet. Volgt afwijzing van de vorderingen van Vestia.