Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 september 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:6143
werknemer/Getronics Nederland B.V.
Met betrekking tot het pensioen van werknemer is tussen werknemer en Getronics als werkgever in geschil of sprake is van een eindloonregeling (standpunt werknemer) of een beschikbarepremieregeling, althans geen eindloonregeling (standpunt Getronics). Bij tussenvonnis van 5 maart 2014 heeft de rechtbank in deze zaak onder meer overwogen mogelijk terug te willen komen op de in het tussenvonnis van 3 april 2013 (hierna: het tussenvonnis) weergegeven bindende eindbeslissing dat sprake is van een eindloonregeling omdat dit onvoldoende door Getronics is weersproken. De rechtbank ziet in het aldus gevoerde debat inderdaad aanleiding terug te komen op de bindende eindbeslissing dat Getronics onvoldoende heeft weersproken dat sprake is van een eindloonregeling. Getronics heeft immers van meet af aan het standpunt ingenomen dat sprake is van een beschikbarepremieregeling/kapitaalovereenkomst en heeft bovendien steeds betwist dat sprake is van een gegarandeerde uitkering (uitkeringsovereenkomst). Derhalve kan niet (langer) als vaststaand worden aangenomen dat de pensioentoezegging van werknemer een eindloonregeling in de zin van een uitkeringsovereenkomst betreft. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van werknemer thans opnieuw (in volle omvang) ter beoordeling voorliggen.
Partijen zijn het niet eens over de juridische grondslag van de vorderingen van werknemer. Werknemer zelf stelt dat zijn vorderingen zijn gegrond op nakoming van de pensioentoezegging. Geoordeeld wordt dat werknemer – op wie in deze de bewijslast rust – in het licht van het door Getronics gevoerde verweer, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de pensioentoezegging van werknemer aldus moet worden uitgelegd dat Getronics de door werknemer gevorderde pensioenuitkeringen heeft gegarandeerd of dat werknemer daarop redelijkerwijs mocht vertrouwen, ook niet (zoals in subsidiair verband door werknemer betoogd) tot 1 april 1998. Werknemer heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen door het horen van getuigen, maar aan bewijsvoering wordt niet toegekomen. Daar komt bij dat niet gesteld is dat deze getuigen kunnen verklaren dat werknemer een uitkeringsovereenkomst is toegezegd. Zelfs als aan de hand van getuigenverklaringen zou komen vast te staan dat een eindloonregeling aan werknemer is toegezegd – zoals wel is gesteld – kunnen de vorderingen van werknemer nog niet worden toegewezen, omdat deze stelling de vorderingen niet kan dragen. Daarmee staat immers nog niet vast dat partijen een uitkeringsovereenkomst met elkaar zijn aangegaan. Volgt afwijzing van de vorderingen.