Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is op 10 oktober 2013 in dienst getreden in de functie van kok. In een e-mail van 19 november 2013, gericht aan werknemer, heeft werkgever het standpunt ingenomen dat werknemer in een gesprek op 15 november 2013 ontslag heeft genomen. Werknemer stelt daarentegen dat hij door werkgever is weggestuurd. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2014 en de arbeidsovereenkomst is per die datum (in ieder geval) geëindigd. Werknemer vordert achterstallig loon over de maanden november en december 2013.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkgever tegenover de betwisting daarvan door werknemer niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van werknemer gericht op ontslag. Daarbij is van belang dat werkgever telkens wisselende verklaringen heeft afgelegd over hetgeen werknemer in dit kader op 15 november 2013 zou hebben gezegd. Omdat uit de eigen verklaringen van werkgever al niet kan worden afgeleid wat er nu precies is gezegd door werknemer, kan ook niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van werknemer gericht op ontslagname. Indien zou worden uitgegaan van het door werkgever zelf in zijn brief van 10 januari 2014 weergegeven citaat van werknemer, kan niet van een ontslagname door werknemer worden gesproken. De bewoordingen ‘het hoeft dan voor mij helemaal niet meer’ houden namelijk geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring gericht op ontslag in. Voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat wel sprake is van een ontslagname, kan werkgever werknemer daaraan niet houden, omdat werkgever in dat geval niet met redelijke zorgvuldigheid heeft nagegaan of werknemer inderdaad beëindiging van de arbeidsovereenkomst wilde. Volgt toewijzing van de loonvordering.