Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 augustus 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:6680
werkneemster/gemeente Rijnwaarden
Vanaf april 1992 is werkneemster als oproepkracht – met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht – in dienst bij de gemeente geweest, laatstelijk in de functie van medewerker facilitaire zaken. Artikel 4 van die overeenkomst bepaalt dat de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenverordening van de gemeente op die overeenkomst van toepassing zijn. Op deze arbeidsovereenkomst waren de artikelen 2:5:1 tot en met 2:5:13 van de CAR/UWO van toepassing. Bij brief van 14 april 2011 heeft werkneemster de gemeente gevraagd haar uren met 24 uren uit te breiden naar 29,5 uren per week. Bij brief van 13 juli 2011 heeft werkneemster het verzoek aangevuld met de mededeling dat de beoogde datum van uitbreiding van het urenaantal 1 september 2011 was. Deze brieven zijn in de organisatie van de gemeente misplaatst geweest; de gemeente heeft eerst op 21 november 2011 ter zake van het verzoek om urenuitbreiding een standpunt ingenomen. De gemeente heeft de arbeidsovereenkomst beëindigd met ingang van 1 juni 2012. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7.10 BW is beëindigd en vordert loon. Wat het loon betreft stelt zij zich op het standpunt dat zij aanspraak kan maken op 29,5 uren per week. Zij doet daartoe een beroep op de WAA. De toepasselijkheid van artikel 7.10 BW is volgens werkneemster geboden in dit geval omdat toepassing van artikel 7:615 BW in strijd is met artikel 6:248 lid 2 BW.
Het hof oordeelt als volgt. Het betoog van werkneemster, dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW zou hebben moeten leiden tot (analoge) toepasselijkheid van titel 10 van Boek 7 BW, moet worden verworpen. Niet voor niets sluit artikel 7:615 BW toepasselijkheid van titel 10 van Boek 7 BW op arbeidsrelaties als de onderwerpelijke uit. Analoge toepassing van die titel stuit af op het te dezen toepasselijke regime van de CAR/UWO dat (in het bijzonder in art. 2.1 t/m 2.13) als een specifieke en uitputtende rechtspositieregeling van arbeidsrelaties als de onderhavige bevat. Ook de passendheid van de aan werkneemster aangeboden ‘passende regeling’ kan niet met succes worden bestreden onder verwijzing naar titel 10 van Boek 7 BW. Uiteraard zullen beslissingen van de gemeente ten aanzien van werkneemster de toets der redelijkheid moeten kunnen doorstaan – in die zin dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar mogen zijn – maar titel 10 van Boek 7 BW kan niet het kader van die redelijkheidstoets vormen. Ook het beroep op de WAA faalt.