Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 oktober 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:6716
werkneemster/Boekel De Nerée
Werkneemster (54 jaar) is van 1 januari 1986 tot 1 januari 2014 als juridisch secretaresse in dienst geweest bij (de rechtsvoorgangster van) Boekel de Nerée (hierna: Boekel), een advocatenkantoor. Als gevolg van een reorganisatie is de functie van werkneemster komen te vervallen. Werkneemster heeft gesolliciteerd op de functie van Personal Assistent (PA). Na een assessment is zij hiervoor als onvoldoende gekwalificeerd afgewezen. Vervolgens heeft Boekel werkneemster de functie Medewerker SSC aangeboden, waarbij zij voor zes maanden haar oude salaris zou houden, waarna het salaris naar het salaris van de nieuwe functie zou worden bijgesteld. Werkneemster heeft deze functie niet geaccepteerd, met name vanwege de teruggang in salaris. De ondernemingsraad heeft positief geadviseerd ten aanzien van de reorganisatie en het sociaal plan. Na verkregen toestemming is de arbeidsovereenkomst op 27 september 2013 tegen 1 januari 2014 opgezegd en heeft werkneemster de suppletieregeling conform het sociaal plan ontvangen. In april 2014 heeft werkneemster zich ziek gemeld bij het UWV. Inmiddels is zij weer hersteld. Werkneemster stelt dat de opzegging op grond van het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is en vordert een schadevergoeding van in totaal € 103.526,29.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft desgevraagd ter zitting gesteld dat zij in de periode van 1 januari 2014 tot haar ziekmelding in april 2014 circa 30 keer heeft gesolliciteerd. Aan Boekel kan worden toegegeven dat hiervan geen afschriften in het geding zijn gebracht. Echter, het mag een feit van algemene bekendheid heten dat de arbeidsmarkt voor personen van de leeftijd van werkneemster problematisch is. Daar komt nog bij dat zij vanaf april 2014 een aantal maanden arbeidsongeschikt is geweest. Gezien de aard van deze arbeidsongeschiktheid waarvan, mede gelet op het door werkneemster in het geding gebrachte journaal van haar huisarts, aannemelijk wordt geacht dat deze samenhangt met de schok die het ontslag bij werkneemster teweeg heeft gebracht, moet betwijfeld worden of werkneemster in die periode vlak daarvoor succesvol had kunnen zijn indien het daadwerkelijk tot een sollicitatiegesprek was gekomen. In dat licht is het ook begrijpelijk dat werkneemster nog geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden outplacement. Boekel heeft nadrukkelijk betoogd dat werkneemster ten onrechte niet heeft geopteerd voor de functie medewerker SSC. Boekel gaat daarbij voorbij aan het feit dat deze functie beneden het niveau was van werkneemster. Uitgangspunt is dat Boekel haar onderneming mag inrichten op de wijze die haar goeddunkt. Haar beslissing om haar secretariaat te reorganiseren stond haar derhalve vrij. Dat neemt niet weg dat van Boekel als goed werkgever mag worden verwacht dat zij zich daarbij niet alleen laat leiden door haar eigenbelang om haar onderneming te stroomlijnen. Daarbij is een belangrijk punt dat geen sprake was van een economische noodsituatie en dat er blijkens het advies van de OR al vóór de reorganisatie sprake was van verbetering van het bedrijfsresultaat. Daarnaast wordt van belang geacht dat geen sprake is van een met een vakbond overeengekomen sociaal plan. Uit het advies van de OR blijkt dat de OR zorgen had over de gevolgen voor medewerkers als werkneemster. Boekel heeft ondanks de suggestie van de OR om de ontslagvergoeding te baseren op de kantonrechtersformule, hiervan afgezien. Op zichzelf was Boekel daartoe niet verplicht. Dat neemt niet weg dat van Boekel had mogen worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zou hebben ingezet om in de eerste plaats werkneemster te herplaatsen en als dit werkelijk niet lukte, te voorzien in een bevredigende afvloeiingsregeling. Naar het oordeel van de kantonrechter is Boekel op beide punten tekortgeschoten. Het ontslag is kennelijk onredelijk. Gelet op de omstandigheden en aan de hand van artikel 6:97 BW wordt een schadevergoeding toegekend van € 45.000 bruto.