Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 oktober 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:7195

werknemer/werkgever

Ontslag magazijnbeheerder is niet kennelijk onredelijk. In geval van ontslag wegens bedrijfseconomische redenen geldt niet in zijn algemeenheid dat altijd een outplacementtraject bij een outplacementbureau moet worden aangeboden.

Werknemer is op 1 maart 2006 in dienst getreden in de functie van Magazijnbeheerder. Zijn arbeidsovereenkomst is wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Werknemer stelt dat de opzegging kennelijk onredelijk is.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft zich in de eerste plaats erop beroepen dat hij ten onrechte is ontslagen, omdat een andere medewerker in het magazijn, X, op medische gronden in het magazijn is geplaatst. De functie van X is hulpmonteur en als hij deze werkzaamheden weer zou gaan verrichten, zou werknemer zijn baan als magazijnbeheerder hebben kunnen behouden, aldus werknemer. Dit betoog van werknemer slaagt niet. Werkgever heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat de omvang van het magazijn is gewijzigd en dat deze in zijn oorspronkelijke functie niet meer bestaat. Dat werknemer daarbij is voorgedragen voor ontslag acht de kantonrechter juist. Weliswaar is X in dienst getreden als monteur en werkt hij als magazijnmedewerker omdat hij monteurswerkzaamheden door medische beperkingen niet meer kan uitvoeren, maar dit doet X al gedurende zes jaar. Werknemer heeft daarnaast gesteld dat werkgever geen inspanningen heeft verricht om werknemer te herplaatsen. Ook dit standpunt van werknemer leidt niet tot het oordeel dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Werkgever heeft gemotiveerd toegelicht dat er binnen haar organisatie geen mogelijkheden en vacatures voor werknemer zijn en werknemer heeft niet naar voren gebracht welke beschikbare functie hij bij werkgeefster kon vervullen. Dit verwijt wordt werkgeefster daarom ten onrechte gemaakt. In zijn algemeenheid is niet juist dat altijd een outplacementtraject bij een outplacementbureau moet worden aangeboden en werknemer heeft niet gesteld waarom werkgeefster in dit geval, naast de bedrijven die zij heeft aangereikt, dat had moeten doen. Volgt afwijzing van de vordering.