Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 november 2014
ECLI:EU:C:2014:2337
Tümer/raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Tümer is Turks staatsburger en verblijft sedert 1988 in Nederland. In de periode van 18 augustus 1988 tot 31 maart 1995 was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd, afgegeven onder de beperking dat hij bij zijn echtgenote verbleef. In 1996 is hij gescheiden. Op 3 januari 2005 is hij in dienst getreden bij Halfmoon Cosmetics BV (hierna: Halfmoon Cosmetics), die ten behoeve van hem in 2007 premie ingevolge de WW heeft afgedragen. Vanaf augustus 2007 heeft Halfmoon Cosmetics nog slechts een gedeelte van het salaris uitbetaald en op 22 januari 2008 is deze onderneming failliet verklaard. Tümer heeft krachtens de WW een insolventie-uitkering aangevraagd in verband met aanspraken die Halfmoon Cosmetics vanaf augustus 2007 tot aan zijn ontslag niet had voldaan, te weten voor een tijdvak waarin hij niet over een verblijfstitel beschikte. Deze aanvraag werd afgewezen bij besluit van 8 februari 2008. Tümer heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Op 10 juni 2008 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard op grond dat Tümer volgens artikel 3 lid 3 WW, geen ‘werknemer’ was aangezien hij in Nederland geen rechtmatig verblijf had. Het UWV betoogde dat Richtlijn 80/987 geen groter toepassingsbereik kan hebben dan de rechtsgrondslag waarop zij is gebaseerd, te weten artikel 137 EG, en dat zij bijgevolg niet van toepassing is op derdelanders die niet legaal in Nederland verblijven. In deze context heeft het UWV opgemerkt dat Richtlijn 2003/109, volgens welke langdurig ingezetenen recht hebben op gelijke behandeling op het gebied van sociale zekerheid, eveneens alleen betrekking heeft op derdelanders die legaal op het grondgebied van de Europese Unie verblijven. Volgens de door de verwijzende rechter verschafte gegevens heeft Tümer onvervulde loonaanspraken die voortvloeien uit zijn arbeidsovereenkomst en die betrekking hebben op het loon over een periode vóór de referentiedatum in de zin van artikel 3 van Richtlijn 80/987. Wat zijn hoedanigheid betreft van ‘werknemer’ in de zin van artikel 2 lid 2 van deze richtlijn, merkt deze rechter op dat Tümer, als derdelander die niet legaal in Nederland verblijft, weliswaar geen ‘werknemer’ in de zin van de WW is, maar dat de relatie met zijn werkgever naar Nederlands civiel recht een arbeidsovereenkomst is en dat hij uit dien hoofde wel als werknemer wordt aangemerkt. In die hoedanigheid kan Tümer zich ook tot de rechter wenden om op grond van zijn arbeidsovereenkomst te vorderen dat de werkgever zijn loon betaalt.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of Richtlijn 80/987 in die zin moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke een derdelander die niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, niet wordt aangemerkt als werknemer die aanspraak kan maken op een insolventie-uitkering wegens met name onvervulde loonaanspraken in geval van insolventie van de werkgever, terwijl deze derdelander krachtens het civiele recht van die lidstaat wordt aangemerkt als ‘werknemer’, die recht heeft op loon, in verband waarmee hij tegen zijn werkgever beroep kan instellen bij de nationale rechter. Beklemtoond wordt dat artikel 1 lid 2 van Richtlijn 80/987, op grond waarvan bij wijze van uitzondering bepaalde categorieën werknemers mogen worden uitgesloten op grond van het bestaan van andere waarborgen, de lidstaten niet vrijstelt van elke verplichting om deze werknemers bescherming te bieden in geval van insolventie van hun werkgever, maar vereist dat de betrokken werknemers eenzelfde mate van bescherming genieten als die welke deze richtlijn biedt. Wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling betreft, blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat het Nederlandse civiele recht eenieder die door een arbeidsovereenkomst aan een werkgever is gebonden, aanmerkt als ‘werknemer’ die recht heeft op loon, ongeacht zijn nationaliteit of de legaliteit van zijn verblijf in die lidstaat. Daarentegen kwalificeert artikel 3 lid 1 WW weliswaar in beginsel iedere natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat, als ‘werknemer’ die recht heeft op een insolventie-uitkering overeenkomstig artikel 61 van die wet, doch sluit artikel 3 lid 3 van die wet illegaal verblijvende derdelanders uit van het begrip ‘werknemer’ en bijgevolg van het recht op deze insolventie-uitkering. Gelet op het feit dat deze bepaling aan deze derdelanders niet dezelfde mate van bescherming biedt als die insolventie-uitkering, blijkt zij niet te voldoen aan de voorwaarden waaronder bepaalde categorieën ‘werknemers’ krachtens artikel 1 lid 2 van Richtlijn 80/987 mogen worden uitgesloten. Voorts staat vast dat die bepaling niet onder artikel 1 lid 3 van deze richtlijn valt. Voorts moet artikel 2 lid 2 eerste alinea van deze richtlijn volgens de rechtspraak van het Hof worden uitgelegd in het licht van het sociale doel ervan, dat erin bestaat alle werknemers bij insolventie van de werkgever een minimumbescherming op het niveau van de Europese Unie te waarborgen door de honorering van de onvervulde aanspraken uit arbeidsovereenkomsten of ‑verhoudingen die betrekking hebben op het loon over een bepaalde periode. De lidstaten kunnen het begrip ‘werknemer’ dus niet naar eigen inzicht definiëren op een wijze die het sociale doel van genoemde richtlijn in gevaar brengt (zie naar analogie arrest Van Ardennen, C-435/10, ECLI:EU:C:2011:751, punten 27 en 34).
Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat Richtlijn 80/987 in die zin moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke een derdelander die niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, niet wordt aangemerkt als werknemer die aanspraak kan maken op een insolventie-uitkering wegens met name onvervulde loonaanspraken in geval van insolventie van de werkgever, terwijl deze derdelander krachtens het civiele recht van die lidstaat wordt aangemerkt als ‘werknemer’ die recht heeft op loon in verband waarmee hij tegen zijn werkgever beroep kan instellen bij de nationale rechter.