Naar boven ↑

Rechtspraak

minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid/X Uitzendbureau
Raad van State (Locatie 's-Gravenhage), 12 november 2014
ECLI:NL:RVS:2014:4062

minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid/X Uitzendbureau

Voor handhavingsbeleid van Inspectie SZW dat een werkgever maximaal 20% van het fulltime WML-loon aan huisvestingskosten mag verrekenen en maximaal 10% aan zorgverzekeringspremie ontbreekt wettelijke grondslag. Aan uitzendbureau is ten onrechte een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 7 lid 1 WML.

(Vervolg op AR 2014-0069.) De Inspectie SZW heeft X Uitzendbureau een boete van € 1750 opgelegd wegens overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Uit onderzoek is namelijk gebleken dat twee Poolse werknemers onderbetaald werden. Door diverse kosten te verrekenen is minder dan het minimumloon uitbetaald en heeft X Uitzendbureau de WML overtreden. X Uitzendbureau betwist dat er onderbetaling heeft plaatsgevonden. De minister van SZW heeft volgens X Uitzendbureau geen wettelijke grondslag voor wat betreft het gewijzigde handhavingsbeleid dat een werkgever maximaal 20% van het fulltime WML-loon aan huisvestingskosten mag verrekenen en maximaal 10% aan zorgverzekeringspremie. X Uitzendbureau stelt dat artikel 7 lid 1 WML zich niet tegen verrekening verzet, zolang binnen de grenzen van artikel 7:631 en 7:632 BW wordt gebleven. Ingevolge artikel 7:632 lid 2 BW kan verrekening met het minimumloon plaatsvinden tot aan de belastingvrije voet. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen wettelijke basis was voor de handhavingsrichtlijn van de Inspectie SZW.

De Raad van State oordeelt als volgt. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is in artikel 7 lid 1 van de WML geen recht op betaling of uitkering van het minimumloon vervat, maar een aanspraak daarop. Voor dit oordeel wordt steun gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van de WML (Kamerstukken II 1967/68, 9574, 3, p. 14), waarin is vermeld dat met de WML wordt beoogd aan alle in het beroeps- en bedrijfsleven werkzaam zijnde werknemers, voor zover zij niet op grond van bijzondere bepalingen van deze wet buiten de kring van rechthebbenden vallen, een minimumloon en een minimumvakantiebijslag te verzekeren, welke gezien de algehele welvaartssituatie als een aanvaardbare tegenprestatie voor de in de dienstbetrekking verrichte arbeid kan worden beschouwd. Hiermee wordt de werknemer een aanspraak verleend, die hij zo nodig langs civielrechtelijke weg geldend kan maken, aldus die geschiedenis. Slechts indien de werkgever niet of niet volledig heeft voldaan aan de aanspraken die een werknemer in rechte geldend kan maken, is plaats voor het oordeel dat de werkgever de verplichtingen die zijn vervat in artikel 7 lid 1 WML niet of onvoldoende is nagekomen. Alleen in dat geval is er een overtreding als bedoeld in artikel 18b lid 1 WML. Steun voor dit oordeel wordt gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18b (Kamerstukken II 2005/06, 30678, 3, p. 2-3). Daaruit volgt dat met de invoering van die bepaling beoogd is bestuurlijke handhaving mogelijk te maken van verplichtingen waarvan de werknemer voorheen alleen langs civielrechtelijke weg nakoming kon eisen. De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18b WML biedt geen steun voor het standpunt van de minister dat bestuursrechtelijke handhaving ook mogelijk is in het geval de werknemer civielrechtelijk geen aanspraak geldend kan maken. X heeft met toepassing van artikel 6:127 BW en de artikelen 7:631 en 7:632 BW kosten voor inwoning en premies ziektekosten met het loon van de desbetreffende werknemers verrekend. Nu, naar niet in geschil is, X naar burgerlijk recht gerechtigd was de kosten voor inwoning en premies ziektekosten te verrekenen met het loon van de desbetreffende werknemers door die bedragen daarop in te houden, kunnen die werknemers in zoverre geen nakoming eisen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat X de op haar op grond van artikel 7 rustende verplichting aangaande het voldoen van hetgeen in hoofdstuk II is aangeduid als minimumloon niet of onvoldoende is nagekomen. X heeft aldus geen overtreding begaan.