Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Hoorn), 16 juni 2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:8415

werknemer/werkgeefster

Werkgeefster gehouden tot betaling achterstallig loon en overuren. Werknemer heeft op grond van de CAO Beroepsgoederenvervoer tijdig bezwaar gemaakt tegen urenverantwoordingsstaat.

Werknemer is op 26 april 2010 in dienst getreden als internationaal chauffeur. De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 oktober 2012. Werknemer vordert betaling van een bedrag van € 1.349,35 vanwege te weinig betaalde uren en overuren.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De stelling van werkgeefster dat werknemer te laat heeft geklaagd over het schrappen van uren op de urenverantwoordingsstaten slaagt niet. Volgens artikel 26 onder 2.e van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen moet een werknemer binnen drie maanden na ontvangst van de urenverantwoordingsstaat daartegen bezwaar maken. Niet in geschil is dat werknemer binnen die termijn en dus tijdig bezwaar heeft gemaakt. De kantonrechter passeert de stelling van werkgeefster dat de cao niet van toepassing is, omdat werkgeefster deze stelling pas op de zitting naar voren heeft gebracht en niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. Ook het verweer dat volgens de door werknemer ondertekende ‘Uitgiftelijst Chauffeurhandboek’ een klachttermijn geldt van vier weken treft geen doel, omdat met een dergelijke regeling niet kan worden afgeweken van de cao, althans de cao voorrang heeft. Werknemer heeft op de zitting ontkend dat hij na een hersteldverklaring pas na drie dagen heeft hervat. Volgens werknemer is hij in de periode waar het hier om gaat ook niet hersteld verklaard door een bedrijfsarts en heeft hij die arts ook niet gezien of gesproken. Werkgeefster heeft daartegenover geen gegevens naar voren gebracht waaruit blijkt van een hersteldverklaring. Nu het op de weg ligt van werkgeefster om dergelijke stukken te overleggen, maar zij dit niet heeft gedaan, moet ervan worden uitgegaan dat de door werkgeefster gestelde hersteldverklaring niet heeft plaatsgevonden. Daaruit volgt dat werkgeefster ten onrechte de betreffende periode als vrije uren en dagen heeft aangemerkt. Het verweer van werkgeefster over de ‘tijd-voor-tijd-pot’ wordt verworpen. Werkgeefster heeft de regeling waarop zij zich beroept niet overgelegd en er is ook geen inzichtelijke registratie en berekening in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid welke uren zijn gecompenseerd en om welke reden. Volgt toewijzing van de vordering.