Naar boven ↑

Rechtspraak

FOA namens Kaltoft/Kommunernes Landsforening (Denemarken)
Hof van Justitie van de Europese Unie, 18 december 2014
ECLI:EU:C:2014:2463
Met annotatie door prof. mr. dr. W.L. Roozendaal

FOA namens Kaltoft/Kommunernes Landsforening (Denemarken)

Zwaarlijvigheid kan ‘handicap’ in de zin van Richtlijn 2000/78 opleveren. Ontslag van een zwaarlijvige werknemer leidt dan tot omkering van de bewijslast ten aanzien van de vermeende discriminatie.

De gemeente Billund heeft Kaltoft voor onbepaalde tijd in dienst genomen in 1998 om als gastouder op kinderen te passen. Gedurende de ruim 15 jaar dat Kaltoft voor de gemeente werkzaam was, was hij ‘zwaarlijvig’ in de zin van de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), waarbij zwaarlijvigheid is opgenomen onder code E66 van de ‘Internationale Statistische Classificatie van ziekten en met gezondheid verband houdende Problemen’ (ICD-10). Kaltoft heeft geprobeerd af te vallen en de gemeente Billund heeft hem in het kader van haar gezondheidsbeleid financiële steun toegekend van januari 2008 tot januari 2009 opdat hij zou deelnemen aan fitnesscursussen en andere fysieke activiteiten. Kaltoft is afgevallen en daarna, zoals bij zijn vroegere pogingen, weer aangekomen. In november 2010 is Kaltoft ontslag aangezegd. Volgens Kaltoft is hij ontslagen wegens zijn zwaarlijvigheid. Volgens de gemeente wegens de vermindering van het aantal kinderen waarvoor oppas noodzakelijk was. Aan het Hof van Justitie EU wordt onder meer de vraag gesteld of discriminatie op grond van zwaarlijvigheid op de arbeidsmarkt in het algemeen of in het bijzonder door een werkgever in de overheidssector in strijd met Unierecht is.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. In dit verband dient te worden vastgesteld dat geen enkele bepaling van het VEU of VWEU een verbod op discriminatie op grond van zwaarlijvigheid als zodanig bevat. Met name verwijst artikel 10 VWEU noch artikel 19 VWEU naar zwaarlijvigheid. Wat meer in het bijzonder artikel 19 VWEU betreft, vloeit uit de rechtspraak van het Hof voort dat dit artikel slechts de bevoegdheden van de Unie regelt en dat het, omdat het niet mede discriminatie op grond van zwaarlijvigheid als zodanig betreft, niet de rechtsgrondslag kan vormen voor maatregelen van de Raad van de Europese Unie ter bestrijding van een dergelijke discriminatie (zie, naar analogie, arrest Chacón Navas, ECLI:EU:C:2006:456, punt 55). In het afgeleide recht van de Unie is evenmin met betrekking tot arbeid en beroep een beginsel van non-discriminatie op grond van zwaarlijvigheid neergelegd. In het bijzonder vermeldt Richtlijn 2000/78 zwaarlijvigheid niet als discriminatiegrond. Welnu, volgens de rechtspraak van het Hof dient de werkingssfeer van Richtlijn 2000/78 niet naar analogie te worden uitgebreid tot andere discriminaties dan die gebaseerd op de in artikel 1 van deze richtlijn limitatief opgesomde gronden (zie arresten Chacón Navas, ECLI:EU:C:2006:456, punt 56, en Coleman, C-303/06, EU:C:2008:415, punt 46). Bijgevolg kan zwaarlijvigheid als zodanig niet worden beschouwd als een bijkomende discriminatiegrond naast de andere door Richtlijn 2000/78 verboden gronden (zie, naar analogie, arrest Chacón Navas, ECLI:EU:C:2006:456, punt 57).

Het voorgaande neemt niet weg dat zwaarlijvigheid mogelijk kan worden aangemerkt als ‘handicap’ in de zin van genoemde richtlijn. Na de ratificatie door de Unie van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap werd goedgekeurd bij Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 (PB 2010, L 23, p. 35), heeft het Hof geoordeeld dat het begrip ‘handicap’ in de zin van Richtlijn 2000/78/EG moet worden opgevat als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen (zie arresten HK Danmark, ECLI:EU:C:2013:222, punten 37-39; Z., C-363/12, ECLI:EU:C:2014:159, punt 76; en Glatzel, C-356/12, ECLI:EU:C:2014:350, punt 45). Dit begrip ‘handicap’ heeft niet enkel betrekking op de onmogelijkheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, maar ook op belemmeringen bij het uitoefenen van een dergelijke activiteit. Een andere uitlegging zou onverenigbaar zijn met de doelstelling van die richtlijn, die onder meer beoogt dat een persoon met een handicap toegang tot arbeid krijgt of daarin kan participeren (zie arrest Z., ECLI:EU:C:2014:159, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Vastgesteld dient te worden dat zwaarlijvigheid als zodanig geen ‘handicap’ vormt in de zin van Richtlijn 2000/78, omdat zij van nature niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat er sprake is van een beperking. Daarentegen valt de zwaarlijvigheid van de betrokken werknemer onder het begrip ‘handicap’ in de zin van Richtlijn 2000/78 indien zij, gezien de omstandigheden, leidt tot een beperking die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels deze persoon kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen, en die beperking langdurig is (zie in die zin arrest HK Danmark, ECLI:EU:C:2013:222, punt 41).