Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving/werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 oktober 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:8768

Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving/werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst directeur CBF wegens vertrouwensbreuk. Geen reflexwerking WNT vanwege ernstige verwijten die CBF worden gemaakt. Toekenning verschillende vergoedingen voor de situatie dat er geen en wel aanspraak op bovenwettelijke WW-uitkering blijkt te bestaan (€ 300.000 en €  125.000 bruto).

Werknemer is als directeur in dienst van Centraal Bureau Fondsenwerking (hierna: CBF). Op 16 januari 2014 is werknemer getroffen door een herseninfarct, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. Op 31 maart 2014 heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat werknemer zijn werkzaamheden geleidelijk weer kan hervatten. CBF verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat er geen vertrouwen meer is in werknemer als directeur van CBF. Onder meer wordt aangevoerd dat het bestuur in de periode december 2013 tot en met april 2014 heeft moeten vaststellen dat de wijze waarop werknemer het beleid had uitgevoerd niet (langer) in overeenstemming was met de visie van het bestuur. Voorts heeft werknemer het bestuur onvoldoende op de hoogte gehouden van belangrijke ontwikkelingen in de sector en is de stijl van leidinggeven van werknemer star en formeel en past niet meer in deze tijd. CBF verzoekt met een beroep op de Wet Normering Topinkomens (WNT) een vergoeding van € 75.000 toe te kennen. Volgens CBF kan werknemer geen aanspraak maken op een bovenwettelijke uitkering, ondanks artikel 7 van de arbeidsovereenkomst (waarin wordt verwezen naar de secundaire arbeidsvoorwaarden zoals deze gelden voor rijksambtenaren).

De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de stukken en uit hetgeen tijdens de mondeling behandeling aan de orde is geweest blijkt in voldoende mate dat het bestuur van CBF geen vertrouwen meer heeft in het functioneren van werknemer. Een vruchtbare samenwerking is niet meer mogelijk. Voldoende aannemelijk is dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van werknemer. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.

Ten aanzien van de vergoeding wordt het volgende overwogen. Er is door CBF geen enkel document overgelegd waaruit aantoonbaar blijkt dat werknemer op een moment dat hij nog daadwerkelijk werkzaam was op zijn functioneren in negatieve zin is aangesproken. Werknemer heeft niet de mogelijkheid gekregen zijn functioneren te verbeteren. Geoordeeld wordt dat CBF te vroeg naar het middel van ontslag heeft gegrepen, waardoor de facto een onomkeerbare situatie is ontstaan. De kantonrechter acht dit een verwijtbare opstelling. Dat CBF werknemer, nota bene tijdens zijn ziekte, heeft geschorst en ontslag heeft aangezegd, dient CBF te worden verweten. Opgemerkt wordt dat de kantonrechter bij het toekennen van een billijke vergoeding niet gebonden is aan de WNT en – gelet op de omstandigheden van deze zaak met name waar het gaat om de ernstige verwijten die CBF worden gemaakt – geen aanleiding ziet reflexwerking aan de WNT toe te kennen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat werknemer weliswaar kan worden aangemerkt als een topfunctionaris in de zin van de WNT, maar CBF niet als rechtspersoon in de zin van die wet. CBF heeft immers niet weersproken de stelling van werknemer dat zij (behalve subsidie van de overheid) ook gelden van de aangesloten instellingen en gelden uit beoordelingen ontvangt, welke gelden de subsidie in hoogte overtreffen. Partijen verschillen van mening of werknemer, bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst, naast een (mogelijke) WW-uitkering, aanspraak heeft op een bovenwettelijke uitkering in de zin van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. Voor het geval er geen aanspraak op een bovenwettelijke uitkering blijkt te bestaan, wordt een vergoeding toegekend van € 300.000. Voor het geval er wel aanspraak op een bovenwettelijke uitkering blijkt te bestaan, wordt een vergoeding toegekend van €  125.000 bruto.