Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 18 december 2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:12537
werknemer/De Jong Management B.V.
Werknemer is op 1 februari 2012 in dienst getreden bij De Jong als bedrijfsleider. In een brief van 9 mei 2014 heeft De Jong aan werknemer bevestigd dat hij op staande voet is ontslagen. Werknemer heeft daartegen geprotesteerd. In een e-mail van 2 juni 2014 heeft de gemachtigde van werknemer aan de gemachtigde van De Jong bevestigd dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de beëindiging van het dienstverband. Daarbij is onder meer genoemd dat het dienstverband zal eindigen per 1 augustus 2014. Werknemer heeft op 12 juni 2014 een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Tussen partijen is in geschil of een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Op de zitting heeft De Jong gesteld dat dit niet het geval is, omdat de vaststellingsovereenkomst van 12 juni 2014 nooit door of namens De Jong is ondertekend en De Jong het ook niet eens was met de toevoeging door werknemer.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan het standpunt van De Jong niet worden gevolgd en is tussen partijen de door werknemer overgelegde vaststellingsovereenkomst van 12 juni 2014 gesloten. Uit de e-mail van 2 juni 2014 van de gemachtigde van werknemer blijkt al dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de beëindiging van het dienstverband. Vervolgens is namens De Jong een vaststellingsovereenkomst opgesteld, die door werknemer is ondertekend en door zijn gemachtigde is teruggezonden, gedateerd 12 juni 2014, en waarbij alleen op twee punten – een typefout en de toevoeging van een zin onder punt 3.1 van de overeenkomst – een wijziging is aangebracht. Op de zitting is door de gemachtigde van De Jong erkend dat hij na de ontvangst van de vaststellingsovereenkomst van 12 juni 2014 niet (direct) heeft laten weten dat De Jong niet kon instemmen met genoemde wijzigingen. Gelet op deze gang van zaken mocht werknemer erop vertrouwen dat De Jong instemde met de vaststellingsovereenkomst van 12 juni 2014, die overigens wat betreft de essentiële elementen daarvan ook al tot stand was gekomen op 2 juni 2014 (art. 6:225 lid 2 BW). De stelling van De Jong op de zitting dat de vaststellingsovereenkomst buiten haar om tot stand is gekomen, kan – nu De Jong ten tijde van de vaststellingsovereenkomst is vertegenwoordigd door een gemachtigde – op grond van artikel 3:66 lid 1 BW en 3:61 lid 2 BW geen doel treffen. Ook de stelling van De Jong dat de vaststellingsovereenkomst op losse schroeven is komen te staan, omdat haar achteraf is gebleken dat werknemer al een andere baan had en onrechtmatig eigendommen van De Jong had verkocht, kan niet worden gevolgd. Indien De Jong meent dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling of door bedrog, zoals zij kennelijk beoogt te stellen, had zij in dat verband een beroep moeten doen op vernietiging van die overeenkomst. Dat heeft De Jong niet gedaan. Geoordeeld wordt dat De Jong over de periode 1 mei 2014 tot 1 augustus 2014 nog loon verschuldigd is. Ook wordt voor recht verklaard dat De Jong gehouden is tot betaling van een bonus van € 4.500 over de omzet van het jaar 2012. Voorts wordt De Jong ex artikel 843a Rv veroordeeld tot het verstrekken van kopieën van de (voorlopige) financiële gegevens van haar onderneming over 2013 en 2014 waaruit kan worden afgeleid of sprake is van daadwerkelijk betaalde omzetgroei over die jaren, zodat kan worden beoordeeld of werknemer ook over die jaren recht heeft op een bonus. De Jong heeft gesteld dat door een zustermaatschappij, De Jong Betonboringen B.V., werkzaamheden zijn verricht aan de woning van werknemer en heeft een tegenvordering ingesteld. Werknemer meent dat hij niet gehouden is tot betaling, omdat deze vordering niets met de arbeidsovereenkomst van doen heeft, omdat personeel van De Jong Betonboringen ondeskundig heeft gehandeld en omdat de hoogte van de factuur exorbitant en niet onderbouwd is. Werknemer heeft in dit verband echter onvoldoende gesteld en onderbouwd om te kunnen oordelen dat van een tekortkoming sprake is geweest. Het verweer van werknemer wordt verworpen. Werknemer wordt veroordeeld tot betaling van € 5.703,76 voor deze werkzaamheden.