Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 januari 2015
ECLI:EU:C:2015:12
Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank/Evans
Evans is geboren in 1955 en van Britse nationaliteit. In 1973 is zij, na twee jaar in het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt, naar Nederland gekomen. Tot 1977 werkt zij bij twee Nederlandse bedrijven. In de periode 1977-1980 werkt zij bij het Britse consulaat-generaal, en sinds 1980 bij het consulaat-generaal van de VS. Zij heeft daarvoor in 1977 de geprivilegieerdenstatus ontvangen, hetgeen inhoudt dat geen registratie bij vreemdelingenpolitie of bevolkingsregister wordt geëist, zij bepaalde voordelen en immuniteiten geniet en is vrijgesteld van betaling van de meeste belastingen en premies. Evans vraagt bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) een overzicht van haar voor de AOW verzekerde perioden. Daaruit blijkt dat zij door de Svb als verzekerde wordt beschouwd in de periode 1973-1980. De Svb gaat ervan uit dat na 1980 Vo. 1408/71 niet meer op haar van toepassing is omdat de VS geen EU-lidstaat is. Alleen Nederlands recht is vanaf dat moment voor Evans van toepassing, en dat bestaat uit verschillende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. Daarin is onder meer bepaald dat niet-Nederlandse consulaire ambtenaren en administratief personeel uitgesloten zijn van de volksverzekeringen. Evans heeft een keuzemoment gehad onder een van deze regelingen, en toen heeft zij ervoor gekozen niet verzekerd te zijn. Uit de administratie van haar werkgever blijkt ook dat nimmer premies op haar salaris zijn ingehouden. De Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat Evans wel na 1980 verzekerd is geweest. De afwijzing geschiedde op grond van het feit dat Evans niet de Nederlandse nationaliteit heeft, maar volgens artikel 3 van Vo. 1408/71 wordt de Britse nationaliteit gelijkgesteld met de Nederlandse. De rechtbank acht haar verblijf in Nederland ‘duurzaam’. Haar geprivilegieerdenstatus doet daar niet aan af. De Svb stelt zich op het standpunt dat Evans niet verzekerd is voor de AOW. Tot juli 1989 omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit heeft en daarna omdat zij niet duurzaam in Nederland zou verblijven. Haar geprivilegieerde status staat daaraan in de weg. Deze wordt alleen toegekend aan (administratieve) werknemers die volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken niet duurzaam in Nederland verblijven. De Svb ontleent haar standpunt mede aan het Verdrag van Wenen consulair. De verwijzende Nederlandse rechter (Centrale Raad van Beroep) concludeert dat hij zal moeten onderzoeken of Vo. 1408/71 op deze casus van toepassing is, mede gezien het door verzoekster gebruikte recht van vrij werknemersverkeer. Uit oude HvJ-jurisprudentie (C-389/87, Echternach et Moritz) maakt de rechter op dat een gemeenschapsonderdaan die in een andere lidstaat dan zijn land van herkomst werkt zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 48 lid 1 EEG niet verliest door het aanvaarden van een functie bij een internationale organisatie.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn eerste vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of artikel 2 van Vo. 1408/71, gelezen in samenhang met artikel 16 van deze verordening, aldus kan worden uitgelegd dat een onderdaan van een lidstaat voor het tijdvak waarin hij werkzaam is geweest op een consulaire post van een derde staat, gevestigd op het grondgebied van een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is maar op het grondgebied waarvan hij verblijf houdt, door die lidstaat kan worden beschouwd als een persoon die niet aan de wetgeving van een lidstaat is onderworpen in de zin van die bepaling en daardoor niet onder de werkingssfeer van Vo. 1408/71 valt. Het begrip persoon ‘op wie de wetgeving van een lidstaat van toepassing is’, zoals bedoeld in artikel 2 van Vo. 1408/71, moet worden uitgelegd in het licht van de relevante regels van internationaal gewoonterecht (zie naar analogie arrest Salemink, C-347/10, ECLI:EU:C:2012:17, punt 31), te weten het Verdrag van Wenen van 1963, dat het recht van de consulaire betrekkingen codificeert en de beginselen en regels vastlegt die onmisbaar zijn voor het behoud van vreedzame betrekkingen tussen staten en wereldwijd zijn aanvaard door naties van alle godsdiensten, culturen en politieke gezindheden (zie arrest Internationaal Hof van Justitie van 24 mei 1980, zaak betreffende het diplomatiek en consulair personeel van de Verenigde Staten te Teheran (Verenigde staten van Amerika/Iran), Recueil des arrêts, avis consultatifs et ordonnances 1980, p. 3, punt 45). Aangaande de op consulair personeel toepasselijke socialezekerheidsregeling bepaalt het Verdrag van Wenen van 1963 in artikel 48 dat de leden van de consulaire post ten aanzien van door hen voor de zendstaat verrichte diensten in beginsel zijn vrijgesteld van de eventueel in de ontvangende staat van kracht zijnde voorschriften op het gebied van de sociale verzekering, met dien verstande dat volgens artikel 71 lid 2 van dit verdrag leden van de consulaire post die onderdaan zijn van, of duurzaam verblijf houden in de ontvangende staat faciliteiten, voorrechten en immuniteiten genieten voor zover deze hun door de ontvangende staat worden verleend. In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat voor het tijdvak vóór 1 augustus 1987 niet-Nederlandse consulaire ambtenaren en leden van het administratief personeel volgens de Nederlandse wetgeving niet verzekerd waren op grond van de volksverzekeringen, en dat voor het tijdvak na die datum consulaire ambtenaren en leden van het administratief personeel die duurzaam verblijf hielden in Nederland verzekerd waren, waarbij voor personen die vóór 1 augustus 1987 in dienst waren getreden een keuzeregeling gold op grond waarvan zij ervoor konden kiezen onverzekerd te blijven voor de Nederlandse volksverzekeringen. Evans heeft voor dit laatste gekozen. Hieruit volgt dat het Koninkrijk der Nederlanden aldus gebruik heeft willen maken van de hem in artikel 71 lid 2 van het Verdrag van Wenen van 1963 geboden mogelijkheid, bepaalde personeelsleden van consulaire posten, zoals Evans, vrij te stellen van het Nederlandse socialezekerheidsstelsel. Gelet op het voorgaande moet dus worden geconstateerd dat een personeelslid van een consulaire post in een situatie als die van Evans, voor het tijdvak waarin deze persoon in dienst is van de consulaire post van een derde staat, niet is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de betrokken lidstaat in de zin van artikel 2 van Vo. 1408/71 en bijgevolg niet onder de werkingssfeer van die verordening valt. De lidstaten blijven weliswaar bevoegd om de voorwaarden voor aansluiting bij hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, maar bij de uitoefening van deze bevoegdheid dienen zij het Unierecht te eerbiedigen. Zoals het verwijzende gerecht heeft opgemerkt, mogen volgens de rechtspraak van het Hof de voorwaarden waaronder een persoon het recht of de verplichting heeft zich bij een stelsel van sociale zekerheid aan te sluiten niet tot gevolg hebben dat van het toepassingsgebied van een nationale wettelijke regeling worden uitgesloten de personen op wie diezelfde wettelijke regeling krachtens Vo. 1408/71 van toepassing is (zie arresten Salemink, ECLI:EU:C:2012:17, punt 40, en Bakker, ECLI:EU:C:2012:328, punt 33). Mitsdien kan als gevolg van artikel 13 lid 2 onder a van Vo. 1408/71 een bepaling van de toepasselijke nationale wetgeving die voor de toelating tot het in die wetgeving voorziene stelsel van sociale zekerheid het vereiste stelt dat de betrokkenen hun woonplaats in de betrokken lidstaat hebben, niet worden tegengeworpen aan de in deze bepaling bedoelde personen (zie in die zin arresten Salemink, ECLI:EU:C:2012:17, punt 45, en Bakker, ECLI:EU:C:2012:328, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit die rechtspraak kan echter niet voortvloeien dat het aangesloten zijn van een werknemer bij het socialezekerheidsstelsel van een lidstaat in de zin van Vo. 1408/71, los van de nationale wetgeving die de aansluiting beheerst, zelfstandig door deze verordening wordt bepaald. Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2 van Vo. 1408/71, gelezen in samenhang met artikel 16 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat een onderdaan van een lidstaat voor het tijdvak waarin hij werkzaam is geweest op een consulaire post van een derde staat, gevestigd op het grondgebied van een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is maar op het grondgebied waarvan hij verblijf houdt, niet onderworpen is aan de wetgeving van een lidstaat in de zin van die bepaling indien die onderdaan krachtens de op grond van artikel 71 lid 2 van het Verdrag van Wenen van 1963 vastgestelde wetgeving van de lidstaat waar hij verblijft niet bij het nationale socialezekerheidsstelsel is aangesloten.