Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Zara Nederland B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 2 september 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:7621

werkneemster/Zara Nederland B.V.

Afwijzing loonvordering arbeidsongeschikte verkoopmedewerkster die een deel van de periode van arbeidsongeschiktheid in detentie heeft gezeten. Verweer dat spoedeisend belang bij loonvordering ontbreekt omdat pas na tien maanden een vordering is ingesteld faalt, omdat juist vanwege het verstrijken van deze periode de financiƫle situatie nijpender is geworden.

Werkneemster is in sinds 2010 als verkoopmedewerkster voor onbepaalde tijd in dienst van Zara. Werkneemster is sedert 10 december 2011 arbeidsongeschikt. Per 1 oktober 2013 heeft Zara de loonbetaling stopgezet. Werkneemster heeft van 9 oktober 2013 tot 9 april 2014 in detentie gezeten. Bij besluit van 5 juni 2014 heeft UWV de loondoorbetalingsverplichting van Zara verlengd tot 10 juni 2014, omdat de aanvraag voor de WIA-uitkering te laat is ingediend. Bij besluit van 6 juni 2014 heeft UWV Zara een loonsanctie opgelegd wegens het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen. De loondoorbetalingsverplichting is met 52 weken verlengd, te weten van 10 juni 2014 tot 10 juni 2015, tenzij Zara haar re-integratieverplichtingen eerder nakomt. Werkneemster vordert loon over de maanden oktober 2013 tot en met augustus 2014.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De omstandigheid dat werkneemster niet direct na de loonopschorting in oktober 2013 een voorlopige voorziening heeft gevorderd, betekent niet dat zij bij een dergelijke voorziening tien maanden later geen spoedeisend belang kan hebben. Eerder is er een aanwijzing voor het tegendeel, nu in de tussentijd geen loonbetaling heeft plaatsgevonden en werkneemster bij aanvang van het kort geding dus al tien maanden geen loon meer ontving, zodat aannemelijk is dat haar financiƫle situatie nijpender werd. Het verweer dat het spoedeisend belang van werkneemster bij haar vorderingen ontbreekt, wordt verworpen. Uit de stukken blijkt dat Zara de loonopschorting gebaseerd heeft op het feit dat werkneemster in haar ogen niet meewerkte aan haar re-integratie. Daardoor is sprake van de uitzondering als bedoeld in artikel 7:629a lid 2 BW in die zin dat het overleggen van een deskundigenverklaring in redelijkheid niet van werknemer gevergd kan worden in het geval de werkgever eerst de ziekte erkent, maar daar tijdens de procedure op terugkomt. Werkneemster heeft in de periode 9 oktober 2013 tot en met 9 april 2014 in detentie gezeten. Over die periode is Zara geen loon verschuldigd. Ook de loonvordering over de periode 1 tot 9 oktober 2013 wordt afgewezen, omdat werkneemster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij meewerkte aan haar re-integratieverplichtingen. Tot slot wordt ook de loonvordering over de periode van 9 april 2014 (einde detentie) tot en met augustus 2014 afgewezen, omdat er een groot aantal geschilpunten van zowel feitelijke als juridische aard is. Dit deel van de vordering leent zich niet voor behandeling in kort geding.