Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 12 februari 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:726
werknemer/Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V.
Werknemer is sinds 1 april 1985 in dienst bij KLM, laatstelijk als Grondwerktuigkundige. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor KLM Grondpersoneel van toepassing, hierna ‘de cao’. Werknemer is werkzaam in de divisie Engineering & Maintenance, binnen de afdeling Line Maintenance. Deze afdeling is verantwoordelijk voor kleine inspecties en reparaties aan vliegtuigen op de route op de buitenstations. Werknemer is lid van de Nederlandse Vereniging van Luchtvaart Technici (NVLT), een van de vakbonden die partij zijn bij de cao. Andere vakbonden die partij zijn bij de cao: CNV Vakmensen, De Unie, FNV Bondgenoten en de Vereniging van Hoger KLM Personeel. De cao heeft een looptijd van 2011 tot 1 januari 2015. In de preambule bij de cao en artikel 4.5 cao is vermeld dat werkzaamheden voor KLM zo veel mogelijk door eigen werknemers worden uitgevoerd. Werknemer vordert dat voor recht wordt verklaard dat de KLM met het uitbesteden van vliegtuigonderhoud, waardoor werknemer of eigen werknemers van de KLM hun functie dreigen te verliezen of in een pool worden geplaatst waar zij niet hun eigen werk doen dan wel op een andere locatie te werk worden gesteld, in strijd handelt met de preambule van de cao en/of het protocol bij de cao en/of het bepaalde in de cao zelf. KLM betwist de vordering. Zij voert als meest verstrekkend verweer aan dat de bepalingen waarop werknemer zich beroept uit de preambule, het protocol en de cao, zijn aan te merken als obligatoire bepalingen, derhalve alleen bindend voor de cao sluitende partijen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Een preambule is een inleiding of considerans bij – in dit geval – een overeenkomst tussen cao sluitende partijen. Zowel gelet op de tekst als de strekking van de preambule, moet ervan worden uitgegaan dat deze geen deel uitmaakt van de cao maar veeleer kwalificeert als een ‘intentie- of grondslagendocument’. De kantonrechter leidt dit af uit een aantal omstandigheden. In de inhoudsopgave van de tekstuitgave van de cao staat eerst vermeld ‘Inhoudsopgave’, dan ‘Preambule’, daarna (vetgedrukt) ‘CAO’ en vervolgens, eveneens vetgedrukt, ‘Bijlagen van de CAO’. Deze indeling suggereert dat de cao pas begint na de preambule, hetgeen ook blijkt uit het feit dat na artikel V van de preambule is bepaald: ‘verklaren voorts de volgende collectieve arbeidsovereenkomst te hebben aangegaan’. Ten slotte is in artikel 2.1 onder (1) van de werkingssfeerbepalingen expliciet bepaald dat de bijlagen wél deel uitmaken van de cao. Nu ten aanzien van de preambule niets is bepaald, moet ervan worden uitgegaan dat deze geen deel uitmaakt van de cao. Werknemer komt geen beroep toe op de bepalingen uit de preambule. Voor zover de preambule overigens wél gekwalificeerd moet worden als onderdeel van de cao, behelst deze obligatoire afspraken waarop werknemer zich niet rechtstreeks kan beroepen. Ten aanzien van de bepalingen uit het protocol geldt dat, áls dit al kwalificeert als (onderdeel van een) cao, werknemer onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat KLM verplichtingen uit dit protocol heeft geschonden. Ten aanzien de uitleg van artikel 4.5 in hoofdstuk IV van de cao (dat is opgenomen onder het kopje ‘verplichtingen van KLM als partij’ en waarin is geregeld dat KLM slechts overgaat tot het tewerkstellen in Nederland van arbeidskrachten van derden, indien en voor zover dit in het belang van de bedrijfsvoering noodzakelijk is) wordt geoordeeld dat met het woord ‘partij’ in het kopje bij deze bepaling wordt bedoeld ‘partij bij de cao’ en niet ‘partij bij de arbeidsovereenkomst’. De verplichtingen van KLM als ‘partij bij de arbeidsovereenkomst’ zijn immers reeds geregeld in de hoofdstukken V en VI. Ervan uitgaande dat hoofdstuk IV van de cao betreft de verplichtingen van KLM als partij bij de collectieve arbeidsovereenkomst, en dit hoofdstuk daarmee een obligatoir karakter draagt, moet het daarin opgenomen artikel 4.5 ook gekwalificeerd worden als een obligatoire bepaling waarop werknemer als individuele werknemer zich niet rechtstreeks kan beroepen. Volgt afwijzing van de vorderingen.