Rechtspraak
werkgever/Litecad BV
Tussen Litecad en werkgever is een partnerovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat werkgever personeel uitleent aan Litecad, die op haar beurt het personeel doorleent aan derden. In de partnerovereenkomst staat een zogenoemd inlenersbelemmeringsverbod opgenomen; Litecad mag werknemers van werkgever geen arbeidsovereenkomst aanbieden. Nadat Litecad de overeenkomst heeft opgezegd, heeft zij – aldus werkgever – zeven werknemers een arbeidsovereenkomst aangeboden. In de onderhavige zaak vordert werkgever voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat zij van oordeel is dat werkgever aan het gestelde onrechtmatige handelen van Litecad geen concrete invulling heeft gegeven, behalve de stelling dat de afspraken zouden zijn geschonden (wanprestatie). Met betrekking tot de vordering op grond van toerekenbare tekortkoming heeft de rechtbank overwogen dat werkgever zich heeft gebaseerd op de afspraak dat Litecad het personeel van werkgever niet zonder toestemming mag overnemen. De stelling van Litecad dat een dergelijke partijafspraak nietig is op grond van artikel 9a van de Waadi en daarom hoe dan ook niet kan leiden tot een in rechte afdwingbare vordering, heeft werkgever niet weersproken. Gelet op dit verweer van Litecad had het, aldus de rechtbank, op de weg van werkgever gelegen haar verzoek, en met name de grondslag van de eventueel in te stellen rechtsvordering, nader te onderbouwen en kenbaar te maken op grond waarvan Litecad schadeplichtig zou zijn.
Het hof oordeelt als volgt. De vraag naar de juiste uitleg van de afspraak tussen partijen dat Litecad gedurende een periode van twaalf maanden na einde van de doorleenovereenkomst geen personeel van werkgever in dienst zal nemen of op een andere basis voor haar zal laten werken zonder schriftelijke toestemming van werkgever, alsmede in dat verband de betekenis en de reikwijdte van het in artikel 9a Waadi opgenomen belemmeringsverbod – en in het bijzonder de vraag of dit artikel, mede gezien de bewoordingen en/of de doelstellingen van de (Europese) wetgever, ook geldt in de rechtsverhouding tussen werkgever en Litecad – is niet de taak van de rechter die moet oordelen over het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, maar is bij uitstek voorbehouden aan de rechter die over de bodemzaak heeft te oordelen. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dient daarop niet te worden vooruitgelopen. Dat brengt mee dat niet kan worden gezegd dat werkgever bij haar verzoek geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW heeft. Ook de vraag naar het bestaan van schade en de hoogte daarvan is (mede) afhankelijk van het antwoord op voornoemde in de bodemprocedure te beoordelen vraag. Naar het oordeel van het hof zijn er ook overigens geen gronden aanwezig die zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.