Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is sinds 2002 in dienst, laatstelijk in de functie van relatiebeheerder. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd en heeft een eigen onderneming opgestart. Werknemer vordert in de onderhavige procedure onder meer afgifte van een deugdelijke eindafrekening, betaling van € 287,92 bruto ter zake de waarde van de pro rato dertiende maand, betaling van € 8.081,72 bruto aan opgebouwde niet-genoten vakantiedagen, betaling van € 14.110,44 bruto aan opgebouwde niet-genoten tijd-voor-tijd-uren en het verstrekken van een getuigschrift.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft het spoedeisend belang bij zijn vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt. Het door werkgever gestelde restitutierisico kan op zichzelf genomen niet tot de conclusie leiden dat werknemer niet-ontvankelijk is ten aanzien van de door hem gevorderde betalingen. De gevorderde pro rata uitbetaling van de dertiende maand wordt afgewezen. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de door werkgever in november 2014 uitgekeerde eindejaarsuitkering betrekking heeft op de opbouw van december 2013 tot en met november 2014, terwijl werkgever stelt dat de opbouw plaatsvindt van januari 2014 tot en met december 2014. Dit kort geding leent zich niet voor nadere bewijslevering op dit punt. De gevorderde betaling van niet-genoten vakantiedagen is door werkgever niet gemotiveerd betwist en wordt toegewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een saldo aan tvt-uren. De stelling van werkgever dat nooit tvt-uren zijn uitbetaald, kan in het licht bezien van de omschrijving op de in het geding gebrachte loonstrook ‘uitbetaling verlof/tvt-uren’ en het ter zitting gestelde dat bij een eerder uitdiensttredende werknemer – weliswaar een gering aantal – tvt-uren zijn uitbetaald geen stand houden. De gevorderde uitbetaling van niet-genoten tijd-voor-tijd-uren wordt toegewezen en bepaald op € 14.110,44 bruto, gelet op de door werknemer gegeven – en door werkgever niet gemotiveerd betwiste – berekening van deze vergoeding. Voorts wordt de gevorderde afgifte van de eindafrekening toegewezen. Het door werkgever verstrekte getuigschrift voldoet niet aan artikel 7:656 BW. Het door werkgever verstrekte getuigschrift vermeldt niet de arbeidsduur per dag of per week en de wijze waarop werkgever zich heeft uitgelaten over het functioneren van werknemer is niet neutraal althans vereist een zekere objectivering. De vordering ter zake het verstrekken van een getuigschrift dat voldoet aan artikel 7:656 BW zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat werknemer niet wil dat werkgever zich uitlaat over zijn functioneren (art. 7:656 lid 2 onder c BW). De termijn zal worden gesteld op twee weken. De te verbeuren dwangsom zal vastgesteld worden op € 100 per dag en gemaximeerd worden op een totaalbedrag van € 1.000. Dat werkgever zich jegens derden negatief heeft uitgelaten over werknemer is voldoende aannemelijk geworden. Aldus heeft werknemer belang bij toewijzing van het gevorderde verbod op het doen van onjuiste en/of schadelijke uitlatingen, zodat ook dit deel van de vordering wordt toegewezen.