Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Iran-United States Claims Tribunal
Hoge Raad, 20 maart 2015
ECLI:NL:HR:2015:687

werkneemster/Iran-United States Claims Tribunal

Geen rechtsmacht Nederlandse rechter wegens functionele immuniteit Tribunaal bij ontslag werkneemster die secretarieel werk voor de President van het Tribunaal verricht. Essentiële taken.

Werkneemster is per 1 oktober 1983 in dienst getreden van het Tribunaal (een rechtspersoonlijkheid bezittende internationale organisatie, die in 1981 door de Verenigde Staten van Amerika en de Islamitische Republiek Iran in het leven is geroepen voor de beslechting van geschillen. Het Tribunaal heeft zijn zetel in Den Haag). Op haar arbeidsovereenkomst, die van jaar tot jaar werd verlengd, waren de Staff Rules van het Tribunaal van toepassing. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van secretaresse van de President. Bij brief van 28 september 2010 heeft de Secretary-General van het Tribunaal werkneemster meegedeeld dat haar contract, dat op 31 oktober 2010 zou aflopen, niet zou worden verlengd. De reden hiervoor was dat de President geen werk genereerde van de soort waarvoor hij een secretaresse nodig had. Werkneemster heeft zich op het standpunt gesteld dat het BBA van toepassing is en haar arbeidsovereenkomst immer voortduurt, dan wel (subsidiair) dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Volgens het Tribunaal komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe wegens functionele immuniteit. De kantonrechter oordeelde dat vanwege het ontbreken van een interne rechtsgang, althans dat werkneemster daarop niet is gewezen, de waarborgen van artikel 6 EVRM niet zijn gesteld zodat de kantonrechter alsnog rechtsmacht toekomt. Het Hof Den Haag heeft dit oordeel vernietigd en geoordeeld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt.

De advocaat-generaal (Wuisman) concludeert als volgt. De vraag of een internationale organisatie, waaraan functionele immuniteit van jurisdictie toekomt, zich met succes op die immuniteit kan beroepen in geval van een arbeidsgeschil met een persoon die een dienstverband met die organisatie heeft, is eerder in de rechtspraak aan de orde geweest, ook in die van de Hoge Raad. In HR 20 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9158, NJ 1986/438, m.nt. P.J.I.M. de Waart was sprake van een arbeidsgeschil tussen het Iran-United States Claims Tribunal en een tolk in dienst van het Tribunaal. Naar aanleiding van de beëindiging van diens dienstverband had de tolk een procedure tegen het Tribunaal bij de kantonrechter aangespannen. Met een beroep op de haar toekomende immuniteit van jurisdictie betoogde het Tribunaal dat aan de Nederlandse rechter geen bevoegdheid toekwam van het arbeidsgeschil kennis te nemen. In verband met die immuniteit overweegt de Hoge Raad onder meer: ‘3.3.4 (…) Dat – [het gerechtigd zijn tot het privilege van immuniteit van jurisdictie] – betekent dat volgens huidig ongeschreven volkenrecht een internationale organisatie in beginsel niet is onderworpen aan de rechtsmacht van de rechter van de gastheerstaat ter zake van alle geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan die organisatie opgedragen taken. (…) 3.3.5 Tot de geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de taken van de internationale organisatie, behoren in elk geval die arbeidsgeschillen welke kunnen rijzen tussen de organisatie en diegenen die in haar dienst bij het vervullen van die taken een essentiële rol spelen. In de regel zullen de tussen de internationale organisatie en zulke medewerkers geldende, al dan niet contractuele regelen (zoals Staff Regulations) dan ook voorzien in een bijzondere rechtsgang – hetzij binnen, hetzij buiten de organisatie – voor dergelijke aan de rechtsmacht van het gastheerland onttrokken geschillen over de arbeidsverhouding. Dat geldt blijkens het in 3.1 onder 6 overwogene ook voor wat betreft het Tribunaal, dat naar het voorbeeld van hetgeen in andere internationale organisaties geldt optreedt als “ambtenarengerecht” voor de aan zijn griffie verbonden personeelsleden. 3.3.6 Uit hetgeen in 3.1 onder (8) is overwogen volgt dat Spaans behoort of heeft behoord tot die medewerkers van het Tribunaal die bij het vervullen van de aan het Tribunaal opgedragen taken een essentiële rol spelen. (…).’

In HR 23 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9632, NJ 2009/572 speelt een arbeidsgeschil tussen de Europese Octrooi Organisatie en een bij die organisatie in dienst zijnde patentonderzoeker. In de door laatstgenoemde bij de kantonrechter aangespannen procedure ter verkrijging van een veroordeling van de Organisatie tot betaling van een vergoeding voor schade als gevolg van tijdens de werkzaamheden bij de Organisatie opgelopen RSI-klachten beroept de Organisatie zich op het haar toekomende privilege van immuniteit van jurisdictie. Omtrent een klacht over een te ruime uitleg door het hof over het begrip ‘arbeidsgeschil’ in het zojuist vermelde arrest uit 1985 overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.3 onder meer: ‘Anders dan deze klacht tot uitgangspunt neemt, is niet (pas) sprake van een arbeidsgeschil ter zake waarvan een internationale organisatie zich kan beroepen op immuniteit, indien een procedure daarover het officiële functioneren van de organisatie belemmert. Het gaat immers erom of de aan de internationale organisatie verweten gedragingen onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan die organisatie opgedragen taken (vgl. HR 13 november 2007, nr. S01984/07, LJN BA9173, NJ 2008, 147.’

Blijkens het arrest van het hof, houdt het hof bij de beoordeling van de vraag of het arbeidsgeschil van werkneemster met het Tribunaal onder de aan het Tribunaal toekomende immuniteit van jurisdictie valt, het uitgangspunt aan dat het moet gaan om een geschil met iemand in dienst van het Tribunaal, die werkzaamheden verricht die noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken van het Tribunaal. Hiermee brengt het hof tot uitdrukking dat vereist is dat de werkzaamheden van deze persoon in een onmiddellijk verband met de vervulling van de aan het Tribunaal opgedragen taken staan. Gelet op de hiervoor vermelde uitspraken van de Hoge Raad geeft het hof hiermee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel dat de werkzaamheden, waarop het dienstverband van werkneemster bij het Tribunaal zag, kunnen worden opgevat als onmiddellijk verbonden te zijn met de aan het Tribunaal opgedragen taken, vormt in hoge mate een feitelijk oordeel. Dat oordeel is bijgevolg in cassatie in principe slechts op begrijpelijkheid te toetsen. ’s Hofs oordeel komt niet onbegrijpelijk voor. Werkneemster verrichtte secretarieel werk voor de President van het Tribunaal. De aan deze functie verbonden taken zijn op te vatten als taken die deel uitmaken van de aan het Tribunaal verbonden taken. Het met de vervulling van die taken verbonden secretariële werk is daarmee ook als zodanig op te vatten. ’s Hofs oordeel wordt niet onbegrijpelijk of onjuist doordat werkneemster ten tijde van de beëindiging van de arbeidsrelatie de secretariële werkzaamheden niet meer uitvoerde bij gebreke daarvan of wegens ziekte of om welke reden dan ook. Te dezen zijn immers beslissend te achten doel en strekking van het dienstverband van werkneemster en het feit dat werkneemster ook geruime tijd daadwerkelijk secretariële werkzaamheden ten behoeve van de President van het Tribunaal heeft verricht.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.