Rechtspraak
X/Y
X is gehandicapt en ontvangt een persoonsgebonden budget (hierna: PGB). X heeft een zorgovereenkomst gesloten met Y. Y heeft steeds ten minste 38 uur per week gewerkt voor X totdat zij zich op 10 november 2014 heeft ziek gemeld nadat X een kat in huis had genomen. X stelt dat de met Y gesloten overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is, maar een overeenkomst van opdracht. Deze heeft zij reeds opgezegd. Voor het geval wel sprake is van een arbeidsovereenkomst verzoekt X om ontbinding. Daartoe stelt X dat sprake is van ongeoorloofd verzuim omdat Y niet ziek is, dat het PGB van X is verminderd, dat Y valsheid in geschrifte heeft gepleegd, dat sprake is van disfunctioneren en dat de arbeidsverhouding is verstoord.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomst een arbeidsovereenkomst is. Daarvan wordt in de onderhavige procedure veronderstellenderwijs uitgegaan. Een oordeel over die kwalificatievraag zal in een bodemprocedure gegeven moeten worden. Ten aanzien van het ontbindingsverzoek wordt het volgende overwogen. De intensieve zorg die (nagenoeg) volledig in het privédomein van X wordt verleend, vereist en veronderstelt een zekere vertrouwensband tussen X en Y. Voorts is X in haar dagelijkse doen en laten aangewezen op de door haar verzorg(st)er te leveren hulp. Ten slotte is hier geen sprake van de situatie dat Y als werknemer economisch een zwakkere positie inneemt dan X als werkgever. Tegen die achtergrond is het enkele feit dat X heeft gesteld en onderbouwd dat de verhoudingen zodanig zijn verstoord dat zij niet meer met Y in haar woning kan en wil samenwerken, voldoende grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daaraan doet niet af dat X de verstoring van de verhoudingen mogelijk zelf heeft veroorzaakt, doordat zij niet bereid was de kat die tot de aanvankelijke arbeidsongeschiktheid van Y heeft geleid uit de woning te verwijderen. Die omstandigheid zou wel een rol kunnen spelen bij het bepalen van een ontslagvergoeding, ware het niet dat de kantonrechter van oordeel is dat voor een vergoeding geen plaats is. Redengevend hiervoor is de eerder al geschetste bijzondere aard van de arbeidsrelatie, tezamen met de financiële situatie van X. De aard van de arbeidsrelatie brengt met zich dat X het loon van Y voldoet vanuit een haar door de overheid toegekend PGB. Niet betwist is dat zij daarnaast enkel een WAO-uitkering op bijstandsniveau ontvangt, waarmee zij in haar levensonderhoud moet voorzien. Hieruit volgt dat een eventueel door X te betalen ontslagvergoeding ten laste zal komen van haar PGB, wat ertoe zal leiden dat zij geheel of gedeeltelijk niet meer de zorg kan inkopen die zij nodig heeft. Voor een ontbindingsvergoeding is onder die omstandigheden geen plaats. Voor Y zal dit een wrange uitkomst zijn. Die uitkomst hangt echter nauw samen met keuzes die de wetgever met de invoering van het PGB heeft gemaakt. Zorgbehoevenden moeten daarmee immers zelf zorg inkopen, waarmee zij – vaak – ook werkgever van de zorgverlener worden. Voor toekenning van reflexwerking aan het opzegverbod tijdens ziekte is geen aanleiding, omdat uit de oordelen van de arboarts volgt dat afgezien van de specifieke werkomstandigheden bij X niet is gebleken van belemmeringen bij Y om (elders) werk te verrichten.