Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Bo-Rent B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 25 maart 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:2349

werknemer/Bo-Rent B.V.

Werknemer heeft gedurende periode van drie jaar arbeidsongeschiktheid op grond van arbeidsovereenkomst recht op volledige loondoorbetaling (incl. overwerkvergoeding en vakantiebijslag), maar stelt zich na het eerste ziektejaar tevreden met wettelijke 70%. Beroep op artikel 7:610b BW ter bepaling van het gemiddelde overwerkloon is wat vergezocht.

Werknemer is sinds 1998 in dienst van Bo-Rentals assistent-filiaalleider. Werknemer stelt dat Bo-Rent in een periode van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte niet het periodieke loon inclusief jaarlijkse vakantiebijslag en ‘overwerkvergoeding’ betaalde en betaalt wat hem rechtens toekomt. Werknemer vordert over de eerste twee ziektejaren en over de periode dat aan Bo-Rent een loonsanctie is opgelegd een bedrag van in totaal € 13.024,01 bruto. Bo-Rent betwist de vordering en beroept zich onder meer op rechtsverwerking (art. 6:89 BW).

De kantonrechter oordeelt als volgt. Twee kwesties houden partijen in hoofdzaak verdeeld: het percentage van de loondoorbetaling tijdens ziekte (in ieder geval voor het eerste ziektejaar) en de loonbestanddelen die voor deze doorbetaling meetellen. Voor de beantwoording van beide vragen dient zowel naar het arbeidscontract als naar de wet (in het bijzonder art. 7:628 en 7:629 BW en art. 15 WML gekeken te worden. Het beroep op rechtsverwerking wordt verworpen. Uit niets blijkt dat bij Bo-Rent ook maar de indruk heeft kunnen ontstaan (laat staan het gerechtvaardigde vertrouwen) dat werknemer het allemaal wel goed vond en dat hij hetgeen hem sedert 21 juni 2011 aan periodiek loon betaald was, in orde bevond. Integendeel zelfs: in ieder geval sedert begin maart 2012 hadden na een telefoongesprek en uitvoerige brief bij Bo-Rent alle seinen op rood moeten staan. Ook het inhoudelijke verweer van Bo-Rent gaat nauwelijks de diepte in, waarbij het natuurlijk ook weinig zoden aan de dijk zet dat zij tot tweemaal toe haar medewerker X als bron van informatie over de bij haar gebruikte systematiek van loondoorbetaling bij ziekte en de betaling van overwerk naar voren schuift, maar niet zegt wat deze dan wel en waarover precies te vertellen mag hebben. Op grond van artikel 7.4 van de arbeidsovereenkomst heeft werknemer over de gehele periode van 21 juni 2011 tot 17 april 2014 recht op 100% loondoorbetaling. Werknemer baseert zijn vordering overigens na het eerste ziektejaar slechts op de wet en niet op de gunstiger contractsbepaling doordat hij zich voor het tijdvak 21 juni 2012 tot 17 april 2014 tevreden stelt met de wettelijke 70%. Omdat loon in de zin van Boek 7 titel 10 BW en van artikel 15 WML naar vaste jurisprudentie iedere min of meer structurele tegenprestatie van de werkgever zelf voor de verrichte arbeid omvat en omdat verder bij ziekte voor het loonbegrip artikel 7:628 lid 3 BW mede van toepassing verklaard is (zie art. 7:629 lid 8 BW), dienen regelmatige overwerkverdiensten en vakantiebijslag in de doorbetalingsverplichting betrokken te worden. Voor zover Bo-Rent artikel 7:610b BW te hulp roept ter rechtvaardiging van de door haar subsidiair bepleite referentieperiode van drie maanden ter bepaling van het gemiddelde overwerkloon, zij erop gewezen dat dit wat vergezocht is in het licht van de strekking van die wetsbepaling. Het gaat immers bij werknemer om een arbeidsovereenkomst met een welomschreven omvang, waarnaast slechts de gemiddelde omvang van het structurele overwerk bepaald moet worden. Vergelijkbaar met de situatie waarop artikel 7:610b BW het oog heeft, is wel dat ook hier gezocht moet worden naar een periode die een representatief beeld oplevert: juist met het oog daarop is een jaar geschikter te achten dan de drie maanden waarvoor Bo-Rent opteert. Het door werknemer gevorderde bedrag van € 13.024,01 bruto wordt toegewezen. Voor matiging van de wettelijke rente is geen aanleiding.