Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Vitaal Wonen/A c.s.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 1 april 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:2610

Stichting Vitaal Wonen/A c.s.

Niet-ontvankelijkheidsverweer van voormalig bestuurders van woningstichting dat gebaseerd is op artikel 6 EVRM en fundamentele bepalingen in het burgerlijk procesrecht faalt.

A en B zijn twee voormalig bestuurders van Stichting Vitaal Wonen. Vitaal Wonen stelt dat A en B onterecht vergoedingen hebben ontvangen ten laste van de stichting, privéuitgaven ten laste van de stichting hebben gebracht en als privépersoon op ontoelaatbare wijze betrokken zijn geweest bij onroerendgoedtransacties ten behoeve van de stichting. A en B voeren een niet-ontvankelijkheidsverweer, dat grotendeel is gebaseerd op artikel 6 EVRM (fair trial, equality of arms) en daarnaast op enkele fundamentele bepalingen in het Nederlandse burgerlijk procesrecht (waarheidsplicht, substantiëringsplicht).

De rechtbank oordeelt als volgt. Het niet-ontvankelijkheidsverweer faalt. De rechtbank merkt op dat de verweren in de eerste plaats lijken te worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 6 EVRM, met name waar – met zoveel woorden – een beroep wordt gedaan op de aanspraak op een fair trial en op het ontbreken van equality of arms. Daarnaast wordt een beroep gedaan op enkele bepalingen in de Nederlandse wetgeving (art. 21 en 111 lid 3 Rv), die betrekking hebben op (dan wel verband houden met) de door artikel 6 EVRM beschermde belangen. De rechtbank stelt voorop dat geen van de genoemde bepalingen uitdrukkelijk voorziet in de sanctie ‘niet-ontvankelijkheid van eiser(es)’ als reactie op de niet-naleving ervan. Dat is niet verbazingwekkend, als wordt bedacht dat een belangrijk deel van de normen waarop A en B een beroep doen, zich richt tot de rechter. Het is aan hem om (bijvoorbeeld) erop toe te zien dat hoor en wederhoor wordt toegepast. Zou een norm als deze niet worden nageleefd, dan ligt het niet voor de hand om aan die niet-naleving een sanctie te verbinden die erop neerkomt dat de vordering van Vitaal Wonen als eiseres in het geheel niet (inhoudelijk) wordt behandeld. Een (ander) deel van de normen waarnaar A verwijzen heeft wél betrekking op Vitaal Wonen als wederpartij. Zo verwijt A Vitaal Wonen dat zij in het voortraject hoor en wederhoor niet in acht heeft genomen en dat zij hem in een aantal opzichten de mogelijkheid ontneemt om deugdelijk verweer te voeren. Ook hier rijst de vraag of de niet-ontvankelijkheid van Vitaal Wonen de meest voor de hand liggende sanctie is, als de normschending inderdaad zou komen vast te staan. Niet ondenkbaar is (bijvoorbeeld) dat het niet tot zijn recht komen van hoor en wederhoor in het voortraject kan worden ‘rechtgetrokken’ in de onderhavige procedure. Verder is het niet-ondenkbaar dat het civiele (proces)recht het treffen van andere sancties mogelijk maakt, die méér recht doen aan bescherming van de geschonden norm c.q. het aangetaste belang. De rechtbank wijst met name op sancties in de sfeer van het bewijsrecht (stelplicht, bewijslast, bewijswaardering), die, als daar grond voor is, aan de orde kunnen komen in het kader van de inhoudelijke beoordeling van de vordering van Vitaal Wonen. De verschillende verweren die zijn aangevoerd (ten aanzien van het voortraject en de onderhavige procedure) worden door de rechtbank afzonderlijk behandeld. Geoordeeld wordt dat er geen grond bestaat om Vitaal Wonen niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering jegens A en B. De gevoerde verweren geven de rechtbank evenmin aanleiding om andere beslissingen te nemen inzake de voortgang van de procedure. De procedure wordt voortgezet. De zaak wordt op de rol gezet voor het nemen van een conclusie van repliek door Vitaal Wonen.