Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 maart 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:2261
politieagente/Politie Nederland
X werkte sedert 2006 als hoofdagente bij het (voormalige) Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), zijnde de rechtsvoorgangster van de Politie. Op 24 september 2009 heeft X tijdens een oefening van de ME-opleiding een blok hout tegen haar hoofd gekregen. Hierdoor heeft zij letsel opgelopen. X is voor dit letsel behandeld in de plaatselijke huisartsenpost. Na het ongeval heeft X klachten gehouden. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW erkend. Wat de schadevergoeding betreft wijst de verzekeraar erop dat sprake is van een zogenoemd dienstongeval. Gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 22 juni 2000, TAR 2000/112) is de norm van artikel 7:658 BW slechts van toepassing voor zover een rechtspositioneel voorschrift niet voorziet in vergoeding van de gestelde schade. Er kan derhalve slechts aansprakelijkheid bestaan voor schade waarin de rechtspositionele voorschriften van de artikelen 54, 54a Barp en artikelen 38 e.v. Bpb niet voorzien, zijnde de restschade. Volgens de verzekeraar is er geen restschade. X heeft de kantonrechter verzocht een deskundige te benoemen om de gevolgen van het ongeval te onderzoeken. Dit verzoek is afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof wijst op het bepaalde in artikel 203 lid 1 Rv. Daarin is bepaald dat het verzoek wordt gedaan aan de rechter waar het geding aanhangig is of, indien het niet aanhangig is, aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn daarvan kennis te nemen. Hieruit volgt dat er in beginsel geen plaats is voor een voorlopig deskundigenbericht in gevallen waarin de civiele rechter in de (nog aanhangig te maken) hoofdzaak niet bevoegd zou zijn. Hoewel partijen ervan uit lijken te gaan dat een eventuele vordering van X door de burgerlijke rechter kan worden beoordeeld, ziet het hof in de ambtenaarrechtelijke verhouding tussen X en de Politie voldoende aanleiding om ambtshalve de vraag aan de orde te stellen of de civiele rechter in de eventueel aanhangig te maken bodemzaak bevoegd zal zijn. Het hof overweegt dat ingevolge het op 1 juli 2013 in werking getreden artikel 8:89 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bestuursrechter in sommige gevallen exclusief bevoegd is te oordelen over vorderingen tot vergoeding van schade door een bestuursorgaan. Artikel 8:89 Awb is in dit geval echter niet van toepassing, aangezien in het overgangsrecht is bepaald dat op schade die is veroorzaakt door een handeling die is verricht vóór laatstgenoemde datum, het recht van toepassing blijft zoals dat voordien gold (art. IV lid 1 van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten). Gelet op het voorgaande is actueel het arrest van 14 december 2010 van het voormalige gerechtshof te Leeuwarden (ECLI:NL:GHLEE:2010:5904). Kortheidshalve verwijst het hof met name naar de rechtsoverwegingen 4 en verder, alsmede de in het arrest genoemde onderdelen van de conclusie van de A-G voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2009 (ECLI:NL:PHR:2009:BJ6020).