Naar boven ↑

Rechtspraak

Infotheek Groep/werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 7 april 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:688

Infotheek Groep/werknemer

Uitleg concurrentiebeding.

Werknemer is op 1 augustus 2011 bij Infotheek, gevestigd te Leiden, in dienst getreden als Bid Manager tegen een salaris van laatstelijk € 3.850. In de arbeidsovereenkomst staan een concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. Werknemer heeft op 17 september 2014 de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 31 oktober 2014. Hij wenste in dienst te treden van Protinus IT B.V. te Houten (hierna: Protinus) in de functie van Proposition Manager tegen een salaris van € 5.300 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en pensioenpremie. Infotheek heeft zich op het standpunt gesteld dat Protinus een concurrent is in de zin van het concurrentiebeding en een relatie als bedoeld in het relatiebeding. De kantonrechter heeft de werking van de bezwarende bedingen geschorst, overwegende dat Infotheek en Protinus in verschillende marktsegement opereren en dat de omzet die Infotheek bij Protinus (relatie) wegzette neerkomt op een gemiddelde van € 33.000 per jaar, welk bedrag in het licht van de jaaromzet van Infotheek van 177 miljoen euro (in 2013) c.1.220 miljoen euro in 2014 verwaarloosbaar is. Tegen dit oordeel keer Infotheek zich in hoger beroep. Ter zake van de overtreding van het concurrentiebeding heeft Infotheek in hoger beroep aangevoerd dat het – anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld – juist wel waarschijnlijk is dat Infotheek en Protinus in een bodemprocedure als concurrenten worden aangemerkt. Infotheek stelt dat Protinus en Infotheek beide ICT-bedrijven zijn, computerhardware voor werkplekken verkopen, alsmede servers en networking en software. Beide zijn actief in het marktsegment van de aanbestedingen en beide schrijven zich in op multidisciplinaire en gecompliceerde aanbestedingen.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft Infotheek het door werknemer geschetste verschil tussen beide ondernemingen niet voldoende gemotiveerd weersproken. De omstandigheid dat beide ondernemingen werkzaam zijn in de ICT en door middel van aanbestedingen opdrachten verwerven, betekent nog niet dat zij concurrenten van elkaar zijn. Infotheek is een leverancier van hardware en software, maar heeft niet (en zeker niet voldoende gemotiveerd) gesteld dat ook zij inschrijft op aanbestedingen waarbij veel verschillende, onderling op elkaar afgestemde ICT-producten en -diensten geleverd moeten worden. Dit zijn nu juist de aanbestedingen die op het terrein van de kennis en kunde van Protinus liggen. Anders dan Infotheek in haar memorie van grieven stelt, gaat het bij de aanbestedingen waar Protinus zich op richt, niet om een combinatie van uitsluitend computers, software en netwerkverbindingen, maar om veel meer. Dat Infotheek wel inschrijft op grote aanbestedingen, dat wil zeggen aanbestedingen van meer dan 5.000 werkplekken, maakt een project nog niet ‘multidisciplinair’. Evenmin acht het hof van belang dat Infotheek begin 2014 de keuze heeft gemaakt zich meer op de aanbestedingsmarkt en in het bijzonder op de rijksoverheid te gaan richten. Dit betekent immers nog niet dat zij vanaf dat moment als concurrent van Protinus heeft te gelden. De conclusie is dan ook dat het hof – met de kantonrechter – voorshands van oordeel is dat niet waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat Protinus en Infotheek concurrenten van elkaar zijn in de zin van het concurrentiebeding.