Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 13 mei 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:5372
werknemer/Timing Uitzendteam B.V.
Werknemer is in 2014 in dienst getreden van Timing Uitzendteam B.V. In de ‘Bevestiging detacheringsovereenkomst fase B’ is ten aanzien van de duur van de overeenkomst onder punt 13 opgenomen: ‘29-6-2014 tot en met 31-1-2015 en eindigt derhalve op 1-2-2015 van rechtswege.’ Werknemer heeft verzocht Timing Uitzendbureau te veroordelen hem een aanzegvergoeding te betalen van een maand loon wegens schending van artikel 7:668 BW (aanzegverplichting).
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de eerste plaats dient beoordeeld te worden op welke wijze een procedure als de onderhavige ingeleid dient te worden. In dit kader is relevant dat het nieuwe artikel 7:686a lid 2 van het BW bepaalt dat gedingen die gebaseerd zijn op afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW (waaronder art. 7:668 BW), worden ingeleid met een verzoekschrift. Het nieuwe artikel 7:686a BW treedt conform het Besluit van 10 december 2014 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2015 echter pas per 1 juli 2015 in werking. Dit brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat vorderingen tot betaling van de aanzegboete tot 1 juli 2015 ingeleid dienen te worden met een dagvaarding. De kantonrechter zal, gelet op het voorgaande, toepassing geven aan artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit brengt mee dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden in de dagvaardingsprocedure. In dat kader zal het verzoekschrift van werknemer worden aangemerkt als een dagvaarding en het verweerschrift van Timing als een conclusie van antwoord. Nu beide partijen ter zitting zijn verschenen en zij de gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten, ziet de kantonrechter geen aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen aan de procesregels van de dagvaardingsprocedure aan te laten passen.
Voor de vraag of Timing aan werknemer een aanzegboete verschuldigd is, is bepalend dat artikel XXIId van de Wet werk en zekerheid (Wwz) bepaalt dat artikel 7:668 leden 1 t/m 4 onderdeel a BW, zoals dat artikel komt te luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I onderdeel M van de Wwz, niet van toepassing is op arbeidsovereenkomsten die eindigen binnen een maand na het tijdstip van inwerkingtreding van dit onderdeel. Artikel I onderdeel M van de Wwz is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Dit brengt mee dat werkgevers pas een aanzegverplichting hebben indien de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op of na 1 februari 2015 is gelegen. Dit brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat er een aanzegverplichting voor de werkgever geldt, indien de laatste werkdag van de werknemer is gelegen op of na 1 februari 2015. In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat 31 januari 2015 de laatste werkdag van werknemer is geweest. De arbeidsovereenkomst van werknemer heeft derhalve tot en met 31 januari 2015 bestaan. Vanaf 1 februari 2015 heeft werknemer geen arbeid meer voor Timing verricht en is Timing aan werknemer geen salaris meer verschuldigd. Dit leidt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst van werknemer is geëindigd binnen een maand na het in werking treden van het nieuwe artikel 7:668 BW. Op Timing rustte dan ook, in het geval van werknemer, geen aanzegverplichting. Bij een andersluidend oordeel had Timing uiterlijk op 31 december 2014, aldus vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling waarin de aanzegverplichting is opgenomen, het einde van de arbeidsovereenkomst aan werknemer moeten aanzeggen. Immers, het nieuwe artikel 7:668 lid 1 BW bepaalt dat werkgevers een aanzegtermijn van één maand in acht moeten nemen. Het komt de kantonrechter voor dat artikel XXIId van de Wet werk en zekerheid in een geval als het onderhavige beoogd heeft een dergelijke aanzegverplichting te voorkomen, wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag daarvoor op het moment dat het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd dient te worden (te weten vóór 1 januari 2015).