Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 19 mei 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1781

werknemer/werkgever

Schadebegroting aan de hand van inschatting accountant voor berekening schade na frauduleus handelen werknemer, is in overeenstemming met artikel 6:97 BW.

(Vervolg op AR 2014-0918.) Werknemer is in de periode van 13 februari 2009 tot 17 juli 2011, naast een vaste baan elders, als oproepkracht werkzaam geweest voor werknemer in de functie van barman. Werknemer werkte op onregelmatige zaterdagen. Werkgever werd op enig moment geconfronteerd met opmerkelijk lagere kassaopbrengsten. Na bestudering van de kasstromen bleek steeds wanneer werknemer was ingeroosterd er lagere kassaopbrengsten waren. Een detective heeft werknemer geobserveerd. Aan het einde van de avond is werknemer staande gehouden door werkgever. Werknemer heeft toen zijn zakken leeg gemaakt en bleek 14 biljetten van € 20 en 22 biljetten van € 50 bij zich te hebben, alle nat en/of verkreukeld. Werknemer heeft deze biljetten, in totaal € 1.380, toen aan werkgever afgestaan. In deze procedure vordert werkgever € 34.253 aan begrote schade over de afgelopen periode van werknemer. Werknemer betwist niet de onrechtmatigheid van zijn gedragingen, maar wel de periode waarin hij de gedragingen zou hebben gepleegd, alsmede de hoogte van de schade. Werkgever heeft aan de hand van de door hem overgelegde boekhoudkundige gegevens voorshands bewezen dat werknemer begin november 2009 is begonnen met het verduisteren van gelden. Voor de veronderstelling van werknemer dat de lagere omzetcijfers vanaf november 2009 veroorzaakt zouden kunnen zijn door fraude door andere medewerkers, acht het hof vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten aanwezig. Werknemer voert als verweer dat hij pas vanaf omstreeks Koninginnedag 2011 gelden van werkgever is gaan verduisteren en dat hij in totaal, met inbegrip van het op 17 juli 2011 door hem afgegeven bedrag van € 1.380, slechts € 4.080 heeft verduisterd.

Het hof oordeelt als volgt. De diverse getuigenverklaringen hebben het voorshands aangenomen bewijs niet ontzenuwd. Zoals het hof reeds in zijn tussenarrest van 21 oktober 2014 (r.o. 7.5.2) overwoog moet de schade worden begroot op de wijze die het meest met de aard van de schade in overeenstemming is en moet zij, indien zij niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, worden begroot (art. 6:97 BW). Bij begroting van de schade is de rechter niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijslast. Voorts overwoog het hof (r.o. 7.5.3) dat in de aard van het onrechtmatig handelen van werknemer ligt besloten dat het voor werkgever uitermate moeilijk zo niet onmogelijk is om hard bewijs te leveren van het exacte aanvangsmoment van de fraude en van de exacte omvang van het verduisterde bedrag. Naar het oordeel van het hof heeft werkgever zijn schadevordering voldoende onderbouwd met de in eerste aanleg overgelegde gegevens omtrent het aantal bezoekers op de zaterdagavond, de kasopbrengst per zaterdagavond, de zaterdagavonden waarop werknemer werkte en de schadeberekening met toelichting door de accountant. Aangenomen kan worden dat de langere meetperiode, het feit dat het aantal zaterdagen waarop werknemer werkte en waarop hij niet werkte niet heel erg van elkaar verschilde en het gebruik van gemiddelden afdoende heeft voorkomen dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met toevallige andere omstandigheden die de omzet op de zaterdagavond ongunstig zouden kunnen hebben beïnvloed. Werknemer heeft daar te weinig tegenover gesteld. Voorts neemt het hof ook in aanmerking dat er geen enkele aanwijzing is dat eventuele andere omstandigheden veel zwaarder zouden hebben gedrukt op de omzet op de zaterdagavonden waarop werknemer werkte dan op de zaterdagavonden waarop werknemer niet werkte. Schade wordt begroot op € 32.334.