Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 april 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:3783
X c.s./Oceanic Christiane Ltd.
(Vervolg tussenvonnis.) In de onderhavige internationale zaak heeft een collectieve actie op een schip in Zweden plaatsgevonden. Er hebben onderhandelingen plaatsgevonden, waarna ITF-overeenkomsten zijn ondertekend. In het tussenvonnis van 23 juli 2014 is geoordeeld dat het door Y c.s. gedane beroep op vernietiging van de ITF-overeenkomsten wegens wilsgebreken niet kan slagen indien de collectieve actie te Luleå naar Zweeds recht rechtmatig moet worden geacht. Partijen hebben een akte genomen.
De rechtbank oordeelt als volgt. De collectieve actie van Zweedse vakbonden ten behoeve van Filippijnse zeelieden aan boord van het Liberiaanse schip ‘Ocean Trader’ was naar Zweeds recht niet onrechtmatig. De actie was niet onverenigbaar met het recht van de Europese Unie, nu Verordening 4055/86 inzake het vrij verrichten van zeevervoersdiensten toepassing mist. De rederij is immers niet gevestigd in een lidstaat als bedoeld in artikel 1 lid 1 en het schip is niet geregistreerd in een lidstaat als bedoeld in artikel 1 lid 2 van de verordening. Dat de manager van het schip binnen het toepassingsbereik van de verordening valt omdat zij als beneficial owner met het schip vervoersdiensten verricht als bedoeld in de verordening, is niet aannemelijk. De stellingen hieromtrent zijn onvoldoende geconcretiseerd of onderbouwd. De ingevolge de collectieve actie te Zweden gesloten arbeidsovereenkomsten waren dus niet vernietigbaar. Of deze zijn achterhaald door de nadien gesloten POEA-overeenkomsten hangt af van de vraag of deze naar Filippijns recht vernietigbaar waren. Het beroep op het Maritiem Arbeidsverdrag en de ILO Conventie 22 wordt verworpen. De zeelieden (X c.s.) worden in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat bij de totstandkoming van de nieuwe POEA-overeenkomsten sprake is geweest van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden. Indien het bewijs wordt geleverd, dan zal de rechtbank – tenzij bijzondere bijkomende omstandigheden aanleiding zouden geven voor een ander oordeel – oordelen dat sprake is geweest van bedreiging of van misbruik van omstandigheden en is daarom aan de nieuwe POEA-overeenkomsten de werking ontvallen doordat de zeelieden deze hebben vernietigd. Als de zeelieden niet slagen in het leveren van het bewijs, dan moet ervan worden uitgegaan dat de nieuwe POEA-overeenkomsten verbindend zijn. Gevolg daarvan is dan dat de ITF-overeenkomsten door de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn achterhaald, en dat de vorderingen niet kunnen worden gegrond op de ITF-overeenkomsten.