Rechtspraak
werknemer/werkgever
Vanaf maart 2013 is werknemer bij werkgever, een bakkerij voor brood en banket, voor 38 uur per week werkzaam. Werknemer heeft vanaf februari 2014 aan werkgever geen geld voor de levering van privébroden aan X afgedragen. Op 13 augustus 2014 heeft werkgever werknemer op staande voet ontslagen. Werkgever heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat werknemer het vertrouwen van werkgever onwaardig is geworden doordat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en/of verduistering van aan werkgever toekomende gelden. Werkgever verwijt werknemer dat hij vanaf februari 2014 geld heeft ontvreemd die hij eens in de drie weken in contanten van klant X van bedrijf Y kreeg voor de leveringen aan haar privé van een brood fijn volkoren op iedere maandag en woensdag.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat een werkgever erop moet kunnen vertrouwen dat zijn werknemer zijn eigendommen respecteert en in het kader van zijn werkzaamheden verkregen geld aan de werkgever afdraagt. In het kader van deze voorlopigevoorzieningenprocedure heeft werkgever met een schriftelijke verklaring van derden onderbouwd dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, althans verduistering, van aan werkgever toekomend geld hetgeen in het licht van artikel 7:678 lid 2 onderdeel d BW op zichzelf een ernstig verwijt is. Het hof weegt voorts mee dat het dienstverband van werknemer nog van relevante korte duur is geweest (circa anderhalf jaar) en werknemer voor het overige naar tevredenheid van werkgever heeft gewerkt. Voorts blijkt uit de door werkgever overgelegde beslagstukken dat al tijdens het dienstverband werknemer kennelijk in een financieel lastige situatie verkeerde doordat onder meer de hypothecaire schuld aan ING (€ 209.600) en een financiering van Eurofintus Financieringen BV (€ 27.501,93) opeisbaar zijn geworden en daarvoor onder werkgever executoriaal derdenbeslag is gelegd. Werknemer zal door het ontslag op staande voet een belangrijk lager bedrag aan inkomsten hebben, zodat aannemelijk is dat het ontslag hem financieel zwaar treft. In de procedure is niets gesteld over het opleidingsniveau en de werkervaring van de inmiddels 46-jarige werknemer (geboren op 13 februari 1969) en is ook niet gesteld of gebleken dat werknemer elders werk heeft gevonden. Het hof is van oordeel dat werkgever in het kader van de voorlopigevoorzieningenprocedure voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, althans verduistering, van aan werkgever toekomend geld en is voorts voorshands van oordeel dat ondanks de gebleken persoonlijke omstandigheden van werknemer de aard en de ernst van de aan hem verweten gedraging zodanig is dat het niet zozeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter het ontslag op staande voet nietig zal verklaren.